Ik moet iets goedmaken. Vorige week heb ik in mijn stukje hier ernstige verwarring aangericht door twee totaal verschillende onderwerpen te verhaspelen: (1) Het Rotterdams Montessori Lyceum (RML) voerde een musical uit die mij en honderden anderen een subliem feestelijke avond bezorgde, en (2) Ik speelde met een gedachtenexperiment waarin Maria Montessori, die theosofe geweest was en daardoor vertrouwd geraakt was met het thema reïncarnatie (ook wel ‘wedergeboorte’ genoemd) in een nieuwe incarnatie terugkwam en nu docente in het RML werd.

Oftewel: ik ben u, lezers, een wedergoedmaking schuldig [het begrip Wiedergutmachung is een erkende technische term in de wijsbegeerte en heeft met name in de nieuwere Duitse filosofie een specifieke betekenis, zoals goed beschreven in het lemma hierover in het Historische Wörterbuch der Philosophie van Joachim Ritter en anderen].

Onderwijs is de kunst om het van oudsher (!) al bekende en het krachtens zijn aard nog niet bekende op een creatieve manier met elkaar in verband te brengen.

Ik illustreer mijn stelling aan twee voorbeelden, een oud en een nieuw (!):

  1. Het oude voorbeeld is van bijna tweeduizend jaar geleden.  ‘Oud en nieuw’ is een klassieke catchphrase (motto, slagzin, strijdkreet) in het nieuwe testament van de bijbel. ‘Nova et vetera’ heet het daar. Dat is een Latijnse spreuk afkomstig uit het evangelie van Mattheus (13, 52): ‘Hij zegt tot hen: “Daarom lijkt iedere schriftgeleerde die leerling is geworden inzake het koninkrijk der hemelen op een mens, op een huiseigenaar, die uit zijn schatkamer nieuwe en oude dingen uitdeelt uit zijn voorraad”. In de Latijnse versie: Ait illis ideo omnis scriba doctus in regno caelorum similis est homini patri familias qui profert de thesauro suo nova et vetera‘. In eigentijds meteen toepasbaar jargon hertaald: ‘docendo discimus‘. Dat komt van Seneca de jongere (circa 4 v.C. – 65 A.D.), ‘Brieven aan Lucillius’ (Boek I, brief 7, sectie 8): Homines dum docent discunt: Mensen terwijl ze onderwijzen, leren.
  2. Het nieuwe voorbeeld is van ruim een halve eeuw geleden. Toen presenteerde de antropologe Margaret Mead een baanbrekend originele visie. Tot dusver heeft de mensheid twee typen culturen ontwikkeld, aldus Margaret Mead. Zij benoemt die als de ‘post-figuratieve‘ en de ‘co-figuratieve‘. In de post-figuratieve cultuur zijn de voorouders maatgevend voor wat goed, mooi, juist enzovoort is. In de co-figuratieve cultuur bepalen de mensen die hier en nu in de kracht van hun leven zijn, wat de bindende normen, waarden en waarheden zijn, en wat op grond daarvan in de maatschappij gebeurt. Gegeven de zorgwekkende staat waarin de schepping thans verkeert, zijn deze twee typen culturen ontoereikend geworden om de huidige en toekomstige technologische mogelijkheden te verwerkelijken zonder dat daaruit catastrofes ontstaan. Daarom is een nieuw type cultuur nodig: de ‘pre-figuratieve‘ cultuur.’ In die nieuwe pre-figuratieve cultuur brengen de nieuw aankomende kinderen zelf de wijsheid mee die ze nodig zullen hebben om het leven van de mens op aarde mogelijk te blijven maken. Aldus de kern van haar boekje ‘Culture and Commitment – a Study Of the Generation Gap’ (1970; ruim een halve eeuw geleden! Fenomenen als de klimaatcrisis waren totaal onbekend!).

De tijden veranderen, het prefiguratieve wordt per jaar belangrijker. Ik claim dat ik weet waar ik het over heb; een van de weinige voordelen van het (zeer) oud worden is dat men ervaringsdeskundige wordt in het krijgen van kleinkinderen. Sinds een jaar of tien neem ik waar hoe nieuwe kinderen al een paar weken of maanden na hun geboorte anders in de wereld staan en zich bewegen. Ze zijn actiever en meer zelfbewust aanwezig dan nieuwe kinderen vóór, pak weg het begin van millennium waren. Af en toe kom ik generatiegenoten tegen die mij bevestigen wat ik meen waar te nemen.

Een van de kernthema’s in het werk van Maria Montessori (1870-1952) is, dat de leerstof die kinderen op school aangeboden krijgen zo goed mogelijk moet aansluiten bij waar het kind zelf is en bij wat in het kind om gaat.

Zonder dat ik mij destijds van dit idee van Maria Montessori bewust was, heb ik dat ook  in mijn onderwijs in de universiteit aan jong volwassen studenten zo veel mogelijk gevolgd. En gaandeweg ben ik deze methode gaan zien als even essentieel belangrijk en zonder voorbehoud waar en juist en geldig als, bijvoorbeeld, de manier waarop het kind spontaan zijn moedertaal leert spreken of leert lopen. Opvoeding die daar niet op aansluit, is kindermishandeling.

Wie iets weet van Rudolf Steiner, de antroposofie en de vrijeschool, zal herkennen wat ik bedoel.

Een motief dat hierbij aansluit is dat de hoofdzaak van de leerstof op de vrijeschool (maar niet alléén dáár!) door de leraar mondeling wordt verteld en dat de kinderen /leerlingen zelf uitschrijven wat ze gehoord hebben.

Met dat laatste komt het plaatje bij dit stukje in beeld – zie aldaar.

Echt onderwijs is levende communicatie tussen leraar en leerling. De leraar vertelt wat hij weet en wat hij wil dat de leerling te weten komt. 70 jaar geleden maakte ik dat mee op het Stedelijk Gymnasium in Arnhem. Er waren leerboeken voor de feitelijk-’technische’ informatie, en die waren geschreven door onze eigen docenten: dr. K. van der Heyde Latijnse en Griekse grammatica’s en woordenboeken, dr. P. Vredenduin wiskunde en dr. H Bonger vertelde over Nederlandse letterkunde en over geschiedenis. Eén zo’n schrift uit die tijd heb ik nog teruggevonden en terwijl ik de bladzij die ik hier gekopieerd heb herlas, realiseerde ik me dat ik daar en toen zó geleerd heb over de Eerste Wereldoorlog, dat ik anno 2014, toen WO I in de media herdacht begon te worden, me van meet af aan actief betrokken voelde bij wat toen in de publieke herinnering teruggebracht werd. H.V.

Hugo Verbrugh


Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)

Lees hier de privacyverklaring Hiermee geeft u toestemming om wekelijks een nieuwsbrief te ontvangen.