“Het begrip ‘waarnemen’ lijkt aan te duiden, dat mens en dier in het bezit zijn van zintuigen die de werkelijkheid zonder vorm van proces openbaren.”

Met die zin begint het hoofdstuk over ‘Waarnemen’ in het ‘Leerboek der psychologie’ van Piet Vroon en anderen, 1976/1981. Dat is ongeveer veertig jaar geleden. Sindsdien is veel veranderd. De auteurs van het leerboek lijken toen al wel aangevoeld te hebben dat die veranderingen zouden komen. “Daarmee is echter bepaald niet het laatste woord gesproken”, vervolgen ze, en in de volgende zinnen vatten ze precies samen waardoor dat komt: “Men kan de waarnemingspsychologie op verschillende manieren definiëren en beoefenen, en dat komt omdat het hier gaat om de verhouding tussen een organisme en zijn omgeving. Deze relatie kan filosofisch op verschillende manieren worden beschouwd.”

Het enige dat ik aan die laatste zin zou willen toevoegen, eigenlijk meen te moeten corrigeren, is: “Deze relatie kan ÉN MOET filosofisch op verschillende manieren worden beschouwd.”

Mijn inspiratie voor die aanvullende correctie c.q. corrigerende aanvulling haal ik uit een subliem boekje, getiteld ‘Zintuigen’, dat ik dezer dagen in handen kreeg. Het is een uitgave in de serie ‘Elementaire deeltjes – grootse onderwerpen in zakformaat’ van AUP [= Amsterdam University Press]. Auteur Louw Feenstra V [1940] schrijft in zijn ‘Woord vooraf’:

“Enkele jaren geleden werd mij, een keel-neusen-oorarts, gevraagd een inleiding te schrijven voor een onderwijs-programma over zintuigen. De eenvoudige vraag, wat een zintuig eigenlijk is, bleek een stuk lastiger te beantwoorden dan gedacht. De kennis van m’n eigen vak was daarvoor ontoereikend en een verbreding was gewenst. De wereld van zintuigen – plant, dier, en mens – is veel omvangrijker dan verwacht, en de reis door zintuigenland bracht mij door onvermoede gebieden van kennis en ervaringen. Mensen hebben meer zintuigen dan ik wist en ze zijn meer dier dan ik had gedacht. Zintuigen zijn noodzakelijk om te kunnen overleven en ze staan aan de basis van alle kennis en van het bewustzijn. Ik nodig u uit kennis te nemen van het verslag van deze reis, en mijn enthousiasme daarvoor met mij te delen!”Een uitnodiging

Alleen al die enkele woorden van dit ‘Woord vooraf’ geven een perfecte eerste indruk van de betekenis van dit kleine boekje. ‘De eenvoudige vraag …’: oh, sancta simplicitas! Maar dan meteen de aankondiging van het voornemen een nieuwe ‘reis door zintuigenland’ te ondernemen – zo komen we verder! Ik meld mij subiet aan als reisgenoot van Louw de Vijfde. Als eerste stukje spiritueel proviand om onderweg samen op te kauwen knoop ik zijn leerervaring ‘Mensen… zijn meer dier dan ik had gedacht’ vast aan wat Piet Vroon c.s. destijds in hùn boek schreven: de psychologie van de waarneming gaat over ‘de verhouding tussen een organisme en zijn omgeving’.

Ook hier, nu aan de tekst van Feenstra, voeg ik meteen een correctie toe. Mensen zijn NIET meer [of minder] dier … [wat Louw zelf ‘had gedacht’ laat ik buiten beschouwing]. In die bewering wreekt zich een eeuwenlang voortwoekerende vertaalfout. Mens en dier vallen namelijk onder het begrip ‘animal’ en dat betekent niet ‘dier’, maar ‘levend wezen’. Maar zó bezien slaat Louw juist wèl de spijker op zijn kop. In het boekje werkt hij als een grootmeester in de filosofie uit hoe het speciale animal dat wij in het Nederlands ‘mens’ noemen uniek is doordat het, anders dan enig ander levend wezen, de hele kosmos inclusief bewustzijn vàn die kosmos als ‘omgeving’ èn zelfbewustzijn èn het taalvermogen in zich heeft.

Dat zijn 205 woorden corrigerende aanvulling op een zin van 9 woorden van Feenstra … Leeftijdgenoot Louw Feenstra, roep ik de auteur toe, uw boekje in handen gekregen hebbende herinner ik mij de mooie scène uit de film Les Enfants du Paradis [‘De jongelui van de engelenbak’; Marcel Carné, 1945]. In het Théatre des Funambules, het theater van de koorddansers, krijgt werkeloze acteur Frédérick Lemaître [Pierre Brasseur], een baantje als leeuw. Frédérick ruikt zijn kans en stemt in, maar zegt tegen de directeur: ‘Ik waarschuw u – als ik eenmaal binnen ben, zal het niet eenvoudig zijn mij er weer uit te krijgen’. Ons wacht een avontuurlijke, lange gezamenlijke reis!

Hugo Verbrugh

(Het plaatje staat NIET in het boek waarover ik hier schrijf, maar in de volgende, uitgebreide versie die het boek moet krijgen, verdient het een ereplaatsje.)

Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)