In 1950 publiceerde de Nederlandse wiskundige en historicus Eduard Jan Dijksterhuis het boek ‘De mechanisering van het wereldbeeld’. Het geeft een uiteenzetting over de geschiedenis van de exacte wetenschappen vanaf de oudheid tot aan het ontstaan van de klassieke mechanica van Newton. Het is tot standaardwerk van de wetenschapshistorie en klassieker op het gebied van de Nederlandse geschiedschrijving geworden. Internationaal heeft de auteur een plaats in de top-tien meest genoemde Nederlandse filosofen in het Historische Wörterbuch der Philosophie (vgl. HWPh Bd. 5, S. 958). Dijksterhuis was wiskundige, en dat blijkt in zijn boek. Er kan echter met recht worden betoogd dat in de ontwikkeling van die vakken het duidelijkst de “mechanisering” in de titel tot uitdrukking komt. Er vindt een geleidelijke “ontmystificering” plaats waarbij de dingen steeds minder “bezield” zijn en waarbij hun relaties en gedragingen steeds rationeler verklaard worden. Dijksterhuis toont hoe grote geesten als Galilei en Kepler nog met het verleden worstelden en zich nog niet helemaal aan dat magische verleden konden onttrekken. Voor een moderne (bèta-geschoolde) lezer is dat vaak moeilijk te begrijpen maar wel zeer interessant, en het werpt een nieuw licht op dingen die voor ons zo evident lijken. Dijksterhuis geeft zeer veel voorbeelden, en schuwt niet om op de inhoud van de verschillende theorieën in te gaan met stukjes wiskunde en natuurkunde van middelbare-schoolniveau. Hierdoor blijft het boek niet steken in beweringen en biografieën maar geeft het de lezer een blik in de gedachtegang van grote denkers uit het verleden. (Wikipedia)

Tekst gaat verder onder de afbeelding

(illustratie:) Ptolemaeus, geocentrisch model 1660 –  Wikimedia Commons.

Intussen is de geschiedenis sterk voortgeschreden, en schrijdt zij zelfs steeds sterker verder voort. Daar meen ik iets aan te moeten doen, geïnspireerd door de Tijdgeest en door hoe die werkt in de Twaalf Heilige Nachten. (Tussen Kerstnacht op 24 december en Driekoningen op 6 januari bevinden zich dertien nachten. Deze nachten worden wel de Heilige Nachten genoemd. Van oudsher wordt deze tijd als een bijzondere tijd beleefd. Het jaar is op zijn allerdonkerst. Het lijkt wel of de tijd stilstaat, voordat de dagen weer gaan lengen. Vaak merk je pas na 6 januari dat het werkelijk lichter wordt. Het donker nodigt uit tot slapen en dromen, bezinning en inkeer, terugzien op het afgelopen jaar en vooruitzien naar wat komen gaat. Van oudsher gelooft men dat in deze periode de grens met het dodenrijk niet zo ‘dicht zit’ als gewoonlijk. Dit kan ontroering teweegbrengen omdat je geliefde overledene iets dichterbij zou kunnen zijn. Maar het heeft ook een omineuze kant van de geesten die kunnen komen spoken. Volgens wijlen psychiater Bernard Lievegoed is het sinds een dertigtal jaren een zich ontwikkelende traditie om de beleving van deze Heilige Nachten weer actiever vorm te geven. De basis is dat je bij je bezinning gebruik maakt van de energie van de lange nachten en de slaap. Dat doe je bijvoorbeeld zo: je staat in de avond stil bij datgene waar je je op wilt bezinnen, en dan ga je slapen. In de nacht komen er misschien dromen, en ’s morgens let je op of je je ze nog herinnert; of met welk gevoel je wakker wordt. Daar schrijf je wat over op. ‘Avond-nacht-ochtend’ is het ritme. Men zegt dat iedere nacht te maken heeft met een maand in het komende jaar; m.a.w. aan de dromen wordt een zekere vooruitziende waarde toegekend. Overgenomen van Alleke Wieringa remonstranten.nl/blog/remonstranten/twaalf-heilige-nachten-dodenrijk.)

Ik werk nu al ruim een week aan een boek dat een soort overtreffende trap moet worden van het boek van Dijksterhuis. De titel is dezelfde als die van dit stukje. Deo Volente, ijs en weder dienende, ga ik 9 januari verder met wat hierboven staat.

Hugo Verbrugh


Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)

Lees hier de privacyverklaring Hiermee geeft u toestemming om wekelijks een nieuwsbrief te ontvangen.