Afgelopen weken schreef ik hier over wetenschap en universiteit. De dagelijkse gang van zaken wordt daar bepaald door een delicaat samenspel van macht, vertrouwen en geloofwaardigheid, stelde ik. Het format van de promotie biedt een redelijk goede garantie dat dit spel volgens de regels wordt gespeeld. ‘Hoe weet je dat allemaal?’, hoor ik nu de wantrouwige lezer vragen. ‘Wat maakt dat je dat zo zelfverzekerd durf te stellen?’

Gewoon de dagelijkse ervaring, luidt mijn simpele antwoord. Stiekem denk ik natuurlijk, net als elke rechtgeaarde wetenschapper, dat ik zelf altijd op het goede spoor richting wetenschappelijke zekerheid ben. Tegelijk spiegel ik me uit gezond zelfwantrouwen [mooi nieuw woord, dit ‘zelfwantrouwen’] aan Matthaeus 10:16: ‘Zie, ik zend u als schapen midden onder wolven; weest dan voorzichtig als de slangen en argeloos als de duiven’. Als ik iets niet weet of niet begrijp of niet geloof, kan ik het altijd hardop vragen. Altijd krijg ik antwoord, meestal bevredigend, altijd in elk geval zó bevredigend dat ik met gerustheid durf te blijven meedoen. Mijn eigen ervaring is en blijft het enige betrouwbare kompas.

Maar waakzaamheid is en blijft geboden. Onlangs presenteerde Rosanne Hertzberger (publicist, als microbioloog werkzaam in de VS) in een column een kleine collage nuttige alledaagse observaties die mij daaraan herinnerden (NRC Handelsblad 23 januari). Ik citeer:

‘Voelt u op dit moment een ongemakje? Pijn? Jeuk? Misschien heeft u last van uw knie of rug? Of lichte hoofdpijn? Heeft u dorst? Honger? Een wazige blik? Moet u veel plassen? Heeft u dunne ontlasting? Verstopte darmen? Bent u moe? Vergeetachtig? Neerslachtig? Ligt u wakker? Heeft u levendige dromen? Of had u gisteren last van een van deze dingen, of vorige week? De kans is groot dat dat zo is. En de kans dat u geen idee heeft waardoor deze ongemakjes werden veroorzaakt, is ook groot. Dit is een algemener probleem. Ook in de 21ste eeuw is de gemiddelde burger bedroevend slecht in het bedrijven van basale wetenschap. We zijn hoger opgeleid dan ooit. Iedereen kan lezen, schrijven, rekenen, we spreken onze talen. Maar een simpel experiment uitvoeren of beredeneren wanneer conclusies gerechtvaardigd zijn, blijft telkens te hoog gegrepen. We blijven verbanden zien tussen zaken die niets met elkaar te maken hebben. De UMTS-mast en je duizeligheid. Het weer en je slaapkwaliteit. Het eten van brood en je ontlasting. Vaccinatie en autisme. Onze eigen ervaring, en de kleurrijke verhalen van onze buren en collega’s blijven de belangrijkste aanwijzingen voor hoe de wereld in elkaar steekt.’

Dat klinkt erg pessimistisch. Maar er is een keerzijde, vult de auteur aan.Arthur Schopenhauer

‘Het is niet alleen negatief. Precies diezelfde tekortkoming kunnen we inzetten om de eigen, al dan niet ingebeelde, gezondheidsproblemen op te lossen. Wij leven nu eenmaal niet in een placebo-gecontroleerde werkelijkheid. Wij hebben grote hoofden, we verzinnen onze eigen kulverhaaltjes, we fantaseren erop los. Als we onszelf ziek kunnen praten, kunnen we onszelf ook beter praten. Het is geen schande om dat te proberen.’

Geen schande? Riposteer ik. Integendeel! De grote Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) wist dit al. De mens is een ‘willend’ wezen waarbij het verlangen centraal staat en niet het redelijk verstand. De wetenschapsfilosofie van onze tijd en met name het nieuwe programma Cognitie.21, stellen zowel hem als Rosanne Hertzberger in belangrijke mate in het gelijk. Ken uzelve, vertrouw en wantrouw uzelve! ‘Jezelfbeterpraten’: die houden we erin.

Hugo Verbrugh

Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)