Vandaag, op dinsdag 13 februari, beslist in Den Haag de Eerste Kamer over de wet op de orgaandonatie. Het verhaal erover is een drama van Shakespeareaanse allure. Twee weken geleden werd de zitting geschorst omdat de Kamerleden er niet uit kwamen. Intussen is Pia Dijkstra (Tweede Kamer, D66, hoofdrolspeler in het debat) erin geslaagd ongerustheden en ander ongerief bij tegenstanders in elk geval voor een zó groot deel weg te nemen, dat de acceptatie van de initiatiefwet nu een kans van slagen heeft. Het voor velen grootste bezwaar was dat de nabestaanden orgaandonatie door hun bijna-overleden dierbare verwant alleen konden tegenhouden als zij ‘aannemelijk’ konden maken dat de overledene geen donor had willen zijn. Dat is nu weg. In een brief beloofde Dijkstra de senatoren dat artsen in praktijk nooit tot een operatie zullen overgaan als de nabestaanden dat niet willen. Daarmee haalde zij de belangrijkste angel uit het debat.

Nu wordt het dus spannend, vooral omdat de gebruikelijke fractiediscipline in een zaak als deze niet meer geldt. Ieder Kamerlid beslist naar eigen eer en geweten op geleide van wat hij of zij in de eigen comfortzone aantreft en laat gelden. En juist dàt spreekt de filosoof aan. Praktisch alle grote motieven van leven en denken komen in het probleem van de orgaandonatie samen:

Daar is om te beginnen de vrije wil. Die geldt hier zonder voorbehoud. Maar volgens vele wetenschappers bestaat die niet. Alleen al dàt maakt het probleem zoals het nu gesteld wordt, theoretisch-wetenschappelijk onhanteerbaar.

.Dan is er het recht op de onaantastbaarheid van het lichaam volgens artikel 11 van de grondwet. Iedereen mag individueel tot en met de dood zelf beslissen over het eigen lichaam. Dit recht eindigt op het moment dat het zelfbewustzijn ophoudt te bestaan. Maar het vaststellen van dit moment is berucht moeilijk. Om daar zinvol over te kunnen denken, spreken en beslissen is het begrip ‘hersendood’ ingevoerd. In het advies ‘Vaststelling van de dood bij postmortale orgaandonatie’  van de Gezondheidsraad (10 juni 2015) wordt het grondig en uitvoerig besproken.

Eén aspect heb ik daarin niet gevonden. Recente inzichten in het soms als ‘neurofilosofie’ aangeduide complex van wetenschappen (cognitieve psychologie, neurofysiologie, e.a.) geven mij twijfel inzake de geldigheid van het begrip ‘hersendood’ zoals dat in dit advies aan de orde komt en gebruikt wordt. Bewustzijn, inclusief zelfbewustzijn, is niet uitsluitend een functie van de hersenen, maar van het lichaam als geheel, inclusief alle organen afzonderlijk. De impliciete aanname dat met de zogenoemde hersendood automatisch elke vorm van (zelf)bewustzijn eindigt, is niet langer zonder meer geldig. Na de ‘hersendood’ blijft in het lichaam een vegetatieve vorm van bewustzijn nog enige tijd in werking.

Een eerste aanname over de grenzen van deze ‘enige tijd’ kan heuristisch afgeleid worden uit de in vele culturen van oudsher geldende regel dat een stoffelijk overschot drie dagen opgebaard moet blijven voordat het begraven of op andere wijze verwijderd mag worden. De nu in Nederland geldende regel dat een uitvaart niet eerder dan 36 uur na overlijden en niet later dan 5 dagen na de dag van overlijden mag plaatsvinden, kan opgevat worden als eigentijdse variant van de oude intuïtieve wijsheid die besloten ligt in deze regel.

By Rijksvastgoedbedrijf / Corne Bastiaansen [CC0], via Wikimedia Commons

Een onontkoombare implicatie van het bovenstaande is dat het zelfbeschikkingsrecht van het individu ‘tot in de dood‘ zich uitstrekt tot vele uren nadat wettelijk, en dat is op grond van thans op de deels verouderde psychofysiologische gegevens en inzichten zoals ik die lees in het advies van de Gezondheidsraad, de dood is vastgesteld.

Op grond van artikel 11 en deze nieuwe inzichten moeten deze ‘vele uren’ dus aan de patiënt gegund worden opdat hij of zij op adequate wijze zijn/haar lichaam definitief verlaten kan. En in de laatste fase van dat vertrek van de mens uit dit lichaam, dat in het kader van dit ‘vertrek’ van ‘de bewoner’ langzaam maar zeker zijn eigen dood sterft, krijgt de overledene het Persoonlijk Postmortale Levenspanorama waarover ik 9 januari van dit jaar in De Ster van schreef:  desteronline.nl/persoonlijk-postmortale-levenspanorama-pplp

Het lijkt mij ondenkbaar dat deze herbeleving van het voorbije leven adequaat kan verlopen wanneer het bijna-dode lichaam niet de gelegenheid krijgt in alle rust zijn eigen einde te vinden.

In de dagen tussen de eerste en tweede bespreking van het wetsontwerp in de Eerste Kamer schreef ik hierover een brief aan alle 75 senatoren. Sommigen reageerden. Eén van hen sloeg de spijker op zijn kop: ‘(Maar) dat sluit transplantatie dus effectief uit, toch?’

Zo kort door de bocht als het hier staat, zou ik het zelf niet durven stellen. Maar aan het denken zet het wel, toch?

Hugo Verbrugh

Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)

Lees hier de privacyverklaring Hiermee geeft u toestemming om wekelijks een nieuwsbrief te ontvangen.