Een van de geheimen van de schepping is dat de tijd niet zomaar op de manier van de klok recht-toe-recht-aan, seconde-na-seconde van het verleden naar de toekomst gaat. Wie een béétje alert leeft, kan dat dezer dagen heel concreet waarnemen. De neerwaartse gang van de zon loopt tegen haar einde, over een week worden de dagen alweer langer.

Het dierenriemteken waarin wij nu al ruim drie weken leven, de boogschutter, brengt dit speciale tempo waarin de tijd voortschrijdt, in beeld. Voor de goede verstaander spreekt dit beeld boekdelen. De boogschutter heeft nu al ruim drie twee weken zijn pijl gericht op de tweede jaarlijkse Grote Omstulping die nu op handen is (zondag 22 december 5.19 uur). Vanaf dat moment gaan wij weer mee omhoog met de zon!

Maar intussen leven wij wel mooi in de zogeheten ‘donkere dagen voor kerstmis’. En sterker nog: vanaf 23 december wordt het niet opeens zomaar helemaal anders. Licht en donker blijven elkaar in een bijzonder ritme afwisselen, en dat bijzondere ritme blijft zo tot en met de zogenoemde twaalf heilige nachten. Pas vanaf Driekoningen wordt het weer gewoon – voor zover een alledaagse begrip als ‘gewoon’ van toepassing is op de wonderbaarlijke kosmische ritmen waarin wij 24 uur per etmaal tussen hemel een aarde leven.

Voor sommige lezers klinkt dat allemaal misschien ietwat mysterieus, om niet te zeggen zweverig – maar het is honderd procent betrouwbare natuurwetenschap. Het is alleen te ingewikkeld om dat in het kort uit te leggen. De simpelste samenvatting die ik kan bedenken is, dat het met licht en donker in deze tijd een paar weken lang een soort vestzak-broekzak-motief is. De dagen worden tot 20 december wel degelijk korter en daarna langer – maar dat gebeurt vooral ’s ochtends. De zon gaat steeds later op en blijft na 20 december bijna twee weken bijna op hetzelfde tijdstip opgaan. De langere duur van de dag blijkt alleen doordat de zon elke dag iets later ondergaat dan de vorige dag. Een prima technische uitleg van dit verhaal staat in Wikipedia.

Hier vat ik verder alleen nog, in de simpelst mogelijke woorden, mijn eigen beleving van dit midwinterse licht-donkerspel samen. Die samenvatting is tegelijk een begin van een antwoord op de vraag wat tijd is.

Tijd doet zich voor in ritmen. Die ritmen spelen in drie snelheden een wisselspel met elkaar en met ons. En dat doen ze in drie verschillende snelheden: in een ultrakleine, een ultragrote en een midden-snelheid.

De ultra-kleine ritmen duren korter dan wij kunnen denken. Die doen zich voor in de onvoorstelbaar snelle bewegingen van de onvoorstelbaar kleine Natrium- en Kalium-atomen in zenuwstelsel. Ook de ultra-lange spelen zich voorbij de horizon van ons gewone bewustzijn af en duren langer dan wij kunnen denken. Die doen zich voor in de opeenvolging van meerdere incarnaties, en ook dáár weten wij, op een andere manier, ook hoegenaamd niets van.

Alleen van de ritmen in het midden, in ons alle-daags-nachtelijks dóórlopende leven, kunnen wij ons bewust zijn. Alleen díe kunnen wij kennen. In het midden ben ik, lucht in- en uit-ademend, meebewegend in het ritme van mijn hart en bloed. Het kleinste ritme in die middengroep is het exaiphnês, het oogwenk. Via de minuut, het uur, de dag, de week, de maand komen we bij het grootste ritme van de middengroep, het jaar – vandaar dat ik daar nù, in deze dagen van het bijna verstreken jaar, weer over schrijf.

‘Alles is eenmalig’, maar evenzeer komt alles telkens weer terug. ‘Panta rei’, alles stroomt, niets blijft, leerde Heraklitus 24 eeuwen geleden. ‘Alleen wat blijft en niet verandert, is echt echt’, leerde zijn tijdgenoot Parmenides. Ze hadden en hebben nog steeds allebei gelijk. Alleen het ritme is echt helemaal echt. Tijd zonder dat ik mij van de tijd bewust ben, is niets.

Tot zover deze aftrap-mijmering voor het kerstreces. Volgende week gaat het over kerstmis.

Hugo Verbrugh


Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)

Lees hier de privacyverklaring Hiermee geeft u toestemming om wekelijks een nieuwsbrief te ontvangen.