‘Onduidelijkheid rond het levenseinde’, tweede aflevering

okt 25, 16 ‘Onduidelijkheid rond het levenseinde’, tweede aflevering

Twee weken geleden kwamen de ministers Schippers (Volksgezondheid, Welzijn en Sport, VVD) en Van der Steur (Veiligheid en Justitie, VVD), met het bericht dat ze een einde wilden maken aan de ‘onduidelijkheid rond het levenseinde’. Met hun ‘Voltooid leven’-plan waren ze even in het nieuws. Vorige week schreef ik erover op de site van De Ster. Het voornemen van de beide ministers was toen al vrijwel verdwenen uit de publiciteit.

Maar pas op! In de media hadden toen al heel wat mensen instemming betuigd met het plan. Dat vraagt ernstige aandacht, want tegenwoordig geldt dat als mensen iets willen, het ook moet kunnen. Langs die maatstaf gemeten, zijn de beide ministers hier dus uiterst eigentijds bezig. Het is dan ook best aannemelijk, dat hun plan gewoon uitgevoerd gaat worden. En volgens de zelfde maatstaf die realisering van het plan van de beide ministers aannemelijk maakt, zijn feitenvrije politiek, waarheidsvrije wetenschap en werkelijkheidsvrije journalistiek even ‘eigentijds’. In overeenstemming daarmee is in de media dan ook zorgvuldig doodgezwegen dat het in het plan om niets minder gaat dan om legalisering van een speciale vorm van moord met voorbedachten rade.

De ‘ernstige aandacht’ die nodig is, vraagt dus allereerst om een andere maatstaf, anders praten we alleen voor de vaak. Een andere maatstaf vind ik in een oude wijsheid. De tijden veranderen wij veranderen met hen, de tijdgeest verandert, alles verandert. Inhoud en strekking van wat wij wel en niet weten, en, vooral, van wat we (1) wel en niet kunnen weten, (2) menen dat we wel, respectievelijk niet kunnen weten, en (3) willen weten, veranderen.

Vooral verandert alles wat we wel en niet weten, kunnen en/of willen weten over leven en dood. Twee grote concrete veranderingen, beide vanaf midden vorige eeuw, zetten de toon.

De ene verandering is de cognitieve revolutie. De opkomst van de computer en het idee van artificial intelligence omstreeks 1970 vroegen om een nieuw begrip voor de samenhang van alles wat met kennis te maken heeft, inclusief begeleidende gevoelens en pragmatische effectiviteit van de kennis oftewel inzicht in de toepasbaarheid. Dat werd cognition. Dat nieuwe begrip bracht een wetenschappelijke en filosofische revolutie op gang die sindsdien wereldwijd door alle instituties gaat die met kennis en weten te maken hebben. Twee aspecten van die cognitieve revolutie die van belang zijn voor mijn verhaal, zijn het inzicht (1) dat het niet zinvol is om op voorhand te stellen dat we over dit-of-dat nooit iets zullen kunnen weten, en (2) dat wij de wereld daadwerkelijk veranderen louter door onze cognitieve activiteit. De enige voorwaarde is dat wij met voldoende grote aantallen eensgezind handelen. Vandaar de immense betekenis van de media in deze tijd.

De andere verandering vanaf omstreeks 1970 is de uitwerking van de zogenaamde BijnaDoodErvaring. Die heeft een einde gemaakt aan het vorige-eeuwse dogma van het ‘agnosticisme’ [= de stelling dat wij ten principale niets kunnen weten over wat ‘hierna’ komt]. Dat is gewoon onjuist gebleken. Over wat we zullen meemaken als ons lichaam het heeft begeven, wordt gaandeweg steeds meer bekend. En over één bijzonderheid daarvan hebben talloze mensen al indringende kennis opgedaan en medegedeeld. Klik op google ‘zelfmoord’ in, en je hebt, als je het durft te weten, binnen enkele minuten ruimschoots voldoende informatie om te weten dat je dàt nooit moet doen. Met of zonder succes: het loopt altijd verkeerd af.

Is er dan geen enkele hoop voor mensen die menen dat hun leven ‘voltooid’ is? Jawel, die is er wèl. Hij heet ‘endura’. Dat is het klassieke woord voor versterving, de vrijwillige hongerdood.endura-jeune-suicide

Willem Metz, tijdens de hongerwinter huisarts in Rotterdam, schreef hierover: ‘Als ik ooit in die situatie [dat ik echt dood wil] kom, zal ik weigeren een ander met mijn dood te belasten, maar zelf het besluit tot hongeren nemen. Het biedt de gelegenheid op volwaardige wijze tijdig afscheid te nemen, want het leven wordt de vrijwillig hongerende niet ontnomen, hij legt het leven af: en dat is menselijk sterven.’

Een halve eeuw later promoveerde de toen 80jarige farmaceut S.A. (Jeanine) Pikaar in Utrecht op een historische reconstructie van deze bijzondere vorm van de ars moriendi (= stervenskunst).

Wie een plan als dit ‘Voltooid leven’ promoot zonder erbij te vermelden wat ik hier samenvat, maakt zich schuldig aan laakbaar onjuiste voorlichting.

Hugo Verbrugh

Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)

Facebook

3 Reacties

  1. AANVULLING OP HET BOVENSTAANDE

    Zoals het verhaal hierboven staat, is het nog erg fragmentarisch en onvolledig. De onderwerpen die ter sprake komen en vooral de samenhang waarin ik ze plaats, zijn actueel, veelal nieuw, deels onbekend. Het woord ‘endura’ kende vermoedelijk nagenoeg geen enkele lezer al. En alle onderwerpen, en vooral de samenhang van die onderwerpen, zijn vatbaar voor discussie, avant garde, speculatief, controversieel. Dat vraagt een veel gedegener bespreking dan hierboven staat. Maar die beknoptheid was deze week onvermijdelijk. Het formaat van de papieren editie van onze Ster dwingt mij in principe tot maximaal 600 woorden, en er ZIJN grenzen aan de maximaal toelaatbare overschrijding.

    Ik heb die tekst zoals die hierboven staan (ruim 700 woorden) dus maar ingeleverd zoals die hier nu staat, maar wel meteen met de hoofdredacteur afgesproken dat ik een aanvulling zou maken voor de site. En gelukkig gelden in cyberspace zulke ruimtelijke beperkingen minder, al gelden natuurlijk ook hier wel andere, psychologische, beperkingen.

    Hieronder staat een eerste versie van die aanvulling die ik in mij draag, en ik heb zonder gêne de nodige ruimte genomen, want het IS een essentieel thema, dat door het plan van de beide ministers nu dus in een stroomversnelling is gekomen. Om het toch dragelijk te houden heb ik een indeling in 21 genummerde punten gemaakt.

    Mijn uitgangspunt is de bekende stelling die hierboven ook al aan de orde was. De tijden veranderen; daardoor worden met name vier grote vragen in de filosofie daardoor anders behandeld dan vroeger.

    Die vier vragen zijn
    EEN: de EERSTE vraag in de filosofie: ‘Waarom IS er iets, en is er niet veeleer NIETS?’, en
    TWEE: de OUDSTE vraag in de filosofie: ‘Filosofie is liefde voor wijsheid en kennis en weten – maar wat is “kennis en weten”?
    DRIE: de MOEILIJKSTE en [volgens velen, waaronder ik] BELANGRIJKSTE en in elk geval in deze tijd MEEST ACTUELE vraag in de filosofie: hoe hangen geloof en kennis, geloven en weten samen?
    VIER: de enige van de vier vragen die pas sinds ongeveer een eeuw gesteld kan worden oftewel de MEEST RECENTE vraag van deze vier: hoe gaan wij om met het werk van de Oostenrijkse filosoof Rudolf Steiner (1861 – 1925) en zijn als ‘antroposofie’ bekend geworden mensbeeld?

    In deze aanvulling ga ik, om en om slalommend om de vier vragen heen,ze bij stukje en beetjes bespreken.

    1. Vraag EEN, ‘Waarom is er iets, en is er niet veeleer niets?’, lijkt misschien een paskwil. In feite is deze vraag vanaf het moment dat hij voor het eerste gesteld was, bedoeld als een soort ‘startmoment’, ‘word-wakker-kick’ inzake de vragen inzake eeuwigheid en daaromtrent. In een mix van instinct en intuïtie ‘weet’ (gedenk vraag TWEE!) iedereen toch min of meer dat we als mens … – en / maar dan wordt het moeilijk om de juiste woorden te vinden … lichaam en geest zijn, … een leven op aarde hebben dat dus eindig is en dus niet alles kan zijn, … – en zo komen we vanzelf op wat er gebeurt als je dood gaat en op vraag DRIE.

    2. Inzake geloven en weten heerst sinds de twee helft van de 19e eeuw algemeen het dogma dat wij niets weten en niets kunnen weten over een eventueel hierna. Dat dogma heet agnosticisme en moet stevig gedocumenteerd worden
    .
    3. Gelukkig leven we in deze tijd in een tijd van de relativering van alles, dus ook de eeuwigheid en van ons wel of niet weten en kunnen weten over wat misschien hierna komt. Ook de verschillende noties van een eeuwig ‘leven’ na de dood die mensen bedacht hebben en waarover wij met elkaar communiceren, zijn niet meer wat ze geweest zijn.

    4 . Een belangrijk nieuw moment in de geschiedenis is de relativering inzake TWEE en DRIE die Steiner heeft aangebracht in de filosofie van Thomas van Aquino (1225-1274). Die onderscheidde drie bronnen van kennis:
    (1) van buiten af, via de zintuigen,
    (2) van binnen uit, vanuit onze geest waarin we alles wat van buiten komt verwerken, en
    (3) uit de Openbaring, de Bijbel, wat we op gezag van Hogere Machten alleen maar kunnen, en dus wel moeten aannemen. In plaats van Openbaring stelde Steiner als (3) het inzicht dat wij ons op eigen kracht kunnen verwerven van de vrijheid, van het gegeven dat wij als mensen enerzijds door onze lichamelijke beperkingen niet vrij zijn maar dat wel kunnen worden voor zover wij met succes werken aan omwerking van die lichamelijke beperkingen.

    5. Punt 4 gaat over vraag VIER, en dat is het USP, het Unique Selling Point van de antroposofie; het is veel te moeilijk om hier verder uit te werken.

    6. In verband met het vermeend ‘voltooid(e) leven’ en Endura zijn twee punten van belang: (1) Er zijn op z’n minst sterke aanwijzingen dat wij in de eerste minuten / uren / zelfs dagen [?] van de bewustzijnstoestand waarin we na onze dood verkeren ons hele leven her-beleven. Dit komt verder ter sprake in volgende punten. (2) Op die toekomstige postmortale herbeleving kun je je tijdens dit leven al voorbereiden door Endura en, hier en nu meteen al, in de tijd voordat je het besluit neemt Endura tot het einde te volgen, voorbereidende oefeningen te doen. De in vele religies bekend tradities inzake vasten kunnen gezien worden als instinctief geconstrueerde exercities om te zijner tijd, als the real thing aan de orde zal zijn, die herbeleving met meer benul mee te maken.

    7. Vanuit punt komt een uitwerking van EEN aan de orde. Veel mensen redeneren inzake de hierna-vraag in de trant van ‘Dat zie ik wel als het zover is’. Dat is op z’n zachtst gezegd nogal kortzichtig. Een iets ruimere kijk erop begint met een anekdote.

    8. In een cartoon van Sempé ergens in de tweede helft van de vorige eeuw, lopen op een zwart-witte tekening met veel grijstinten, twee bejaarde heren in een overweldigend grauw, kil eind-november-landschap onder hoge, kale bomen. De mannen ogen totaal nietig onder de natuur die bijna aan het einde van haar leven in dat seizoen gekomen is. ‘Ze zeggen,’ zegt de ene man, ‘dat je na je dood je hele leven in één groot totaal-beeld aan je voorbij ziet trekken. Weet je – dàt is het moment waar ik me zorgen over maak.’ Ik vertel dat hier omdat het documenteert hoe dit thema af en toe opduikt.

    9. De bezorgde bejaarde heeft goede argumenten, althans goede redenen, voor zijn beduchtheid aangaande het postmortale totaal-beeld-moment dat hij in het gesprek inbrengt. Hij kent de verhalen over de zgn. BDE, de zogeheten Bijna Dood Ervaring. Deze notie van wat wij tegenwoordig aanduiden als een ‘BDE’, een Bijna Dood Ervaring is eind 19e eeuw algemeen bekend geworden; de aanduiding BDE dateert van veel later.

    10. In zijn klassieke vorm treedt het postmortale totaal-beeld-moment vooral op bij zwemmers en bergbeklimmers – veelal relatief jonge, sportieve en gezonde mannen. Hij is voor het eerst gedegen beschreven door bekend geworden de Zwitserse geoloog en alpinist Albert Heim. Die tekende in 1892 als eerste de ervaringen op van hemzelf en anderen die onverwacht opeens oog in oog met de dood verkeerd hadden, en publiceerde die. Het waren voornamelijk verhalen van alpine klimmers, waar hij er zelf ook één van was, die tijdens het klimmen opeens gevallen waren. Het waren altijd relatief jonge, gezonde mannen, en de ervaring kwam totaal onverwacht. Zij beschreven de ervaring die zij hierbij hadden als een ervaring zonder angst, waarbij ze opeens een zeer helder moment van denken hadden; hun gedachtegang versnelde, en ze zagen hun hele leven aan zich voorbijschieten.

    11. Sindsdien zijn berichten en verhalen over en in verband met deze ervaringen wereldwijd bekend en populair geworden. In die bekendwording moeten twee trajecten worden onderscheiden.

    12. Het eerste traject loopt vanaf omstreeks 1900 tot omstreeks 1970. In die tijd worden af en toe verhalen opgetekend. Klassiek is wat de Oostenrijkse neuroloog Moritz Benedikt (1835-1920) in zijn autobiografie (1906) optekende over wat er gebeurde toen hij in een zwembad in de Donau kopje onder ging. ‘Es war wohl kaum mehr als eine halbe Minute, dass ich das Bewusstsein hatte, jetzt ertrinke ich. Dabei machte ich die merkwürdige Selbstbeobachtung, dass in dieser kurzen Zeit sämtliche Erinnerungen meines Lebens vor mir in rasender Eile vorübergingen. Diese Beobachting ist in der Psychologie bekannt; selbst erlebt haben es wenige’.

    13. Dit type verschijnsel verdient een eigen naam, omdat er intussen, zoals aangeduid in punt 6, aanwijzingen zijn dat deze ervaring van dezelfde inhoud en strekking ook optreedt in de eerste ogenblikken na het daadwerkelijk overlijden. Ik benoem ze hierbij als ‘perimortale (= rondom, d.w.z. tijdens het leven soms al even vóór een nèt-niet, en waarschijnlijk, althans vermoedelijk, ook direct ná de echt dood optredende) levenspanorama-ervaring’.

    14. Rudolf Steiner verwijst naar deze passage van Bendedikt in het hoofdstuk over ‘Schlaf und Tod’ in zijn boek ‘Die Geheimwissenschaft im Umriss’ (1909), en geeft er een commentaar bij dat voor de actuele discussie relevant is: ‘Wenn Andere die bei ähnlicher Gelegenheit erlebten Bilder anders beschreiben, ja sogar so, dass die mit den Vorgängen ihrer Vergangenheit wenig zu tun haben, so widerspricht das dem Gesagten nicht denn die Bilder, welche in dem ganz ungewohnten Zustande der Abtrennung von dem physischen Leibe entstehen, sind manchmal in ihrer Beziehung zum Leben nicht ohne weiteres erklärlich’.

    15. Ook de verwijzing naar Rudolf Steiner is relevant want in zijn als ‘antroposofie’ bekend geworden mensbeeld presenteert hij een theorie en een nieuw begrip dat goed bruikbaar is om deze ‘perimortale levenspanorama-ervaring’ te duiden. Dat nieuwe begrip noemt hij de ‘wezensleden’. In het Engels wordt wel de vertaling ‘mind-body-articulations’ gebruikt: een systeem van “gewrichten” waardoor lichaam en geest als één systeem soepel in samenhang met elkaar kunnen werken. Als je doodgaat, worden geest en lichaam definitief van elkaar gescheiden. Een onverwacht hevig ongeluk kan de ‘articulations’ BIJNA helemaal uit elkaar rukken. Die schok beleef je dan als een ‘perimortale levenspanorama-ervaring’.

    16. Het onderwerp is actueler dan sommigen zich misschien realiseren. Ook in het rijk gevarieerde leven van Heer Bommel komt een moment voor waarin hij dit levenspanorama meemaakt. Aan het einde van zijn avontuur met ‘De Pronen’ (1973/1974) , pseudo-personen zonder ruggegraat, is hij samen met de trouwe bediende Joost opgesloten in een kelder die langzaam volloopt met water, en dan gebeurt het. ‘”Straks staat het water tot onze lippen”, prevelde heer Ollie met zwakke stem. “Mijn hele leven passeert aan mijn geestesoog”‘: een authentiek bericht van een ‘perimortale levenspanorama-ervaring’.

    17. Het tweede traject begon in de jaren ’70. De geneeskunde had grote vooruitgang geboekt, veel mensen die als gevolg van een ongeluk of een ernstige ziekte waarschijnlijk dood zouden zijn, bleven leven, er kwamen veel meer verhalen in omloop over wat mensen in die tijd meemaakten, en in 1975 bedacht en publiceerde Raymond Moody een essay over dit onderwerp onder de titel ‘Life after life: the investigation of a phenomenon – survival of bodily death’. Daarin benoemde hij het fenomeen als Near Death Experience; in Nederland werd dat dus de BDE.

    18. De twee trajecten moeten onderscheiden worden omdat na ongeveer 1970
    (1) er enerzijds steeds meer verhalen in omloop kwamen in de rubriek BDE, maar
    (2) anderzijds ook steeds meer oudere en zieke mensen en patiënten die lang in coma hadden gelegen, van alles meemaakten en vertelden, zodat
    (3) de verhalen veel publiciteit kregen,
    (4) de originele versie steeds sterker veranderde en
    (5) gaandeweg onduidelijk werd wat de bedoelde ervaring nu precies inhoudt; mede daardoor
    (6) krijgen tegenwoordig steeds meer mensen indrukken en belevingen die zij zelf in verband brengen met (bijna)dood en wat misschien hierna komt, terwijl
    (7) voor anderen de duiding steeds moeilijker wordt.

    19. In het onoverzichtelijke gebied van BDE, de (nog steeds óók voorkomende ‘perimortale levenspanorama-ervaring’, allerlei vormen van soms met of zonder opsmuk en/of nadruk op de buis vertoonde euthanasie, discussies over (wel of niet publiciteit geven aan) zelfmoord, is nu deze variant op het Nederlandse wereldtoneel verschenen.

    20. Een wonderlijk toeval maakt dat uitgerekend vandaag, 25 oktober 2016, de essentie van dit thema, de vraag in hoeverre de mens zelf mag beslissen of hij zijn / zij haar leven zelf zal beëindigen, met uniek nieuwe nadruk aan de orde wordt gesteld in nota bene een advertentie. Het voormalige CDA-Kamerlid Frans Jozef van der Heijden en zijn vrouw hebben vrijdag samen hun levens op respectievelijk 78- en 76-jarige leeftijd beëindigd. In een overlijdensbericht, onder meer in de NRC, lichten ze hun besluit om uit het leven te stappen toe. “De discussie over een zelfgekozen levenseinde staat nog steeds in het teken van de vraag of mensen, die menen dat zij hun leven hebben voltooid, dat leven ook mogen beëindigen”, zo staat in de rouwadvertentie. “Meest voor de hand ligt de vraag of mensen, die menen dat hun leven in groot lijden en last dreigt te eindigen (onder meer door ernstig aangetaste zorg), dat leven ook mogen beëindigen nu ze nog niet al te zeer lijden en in last voor zichzelf en anderen verkeren.”

    21. Voor dit moment stel ik als conclusie van deze eerste versie: ‘Moord hoe dan ook, zelf- of door of met behulp van anderen, is nooit goed’. Het is abrupt en gewelddadig. Je maakt misbruik van de vrije wil waarmee ieder mens behept is. Het kàn anders. Het màg zeker – “alles is toegestaan, maar niet alles is nuttig”. Endura gaat geleidelijk en is totaal geweldloos. Terwijl je aan ’t versterven bent, ga je geleidelijk in een soort pre-peri-mortaal bestaan leven. Gaandeweg ga je meer en meer louter vegetatief leven. Bij elke ademtocht voel je dat het einde nabij komt; het point of no return komt rhythmisch langzaam in je perspectief; ieder moment kun je terug. Geleidelijk en geweldloos – dat zijn de twee eerste regels van Endura. Tot en met het einde ben je er met je volle bewust.

    VOETNOOT:
    Agnostizismus wurde 1869 von TH. H. HUXLEY [1] geprägt zur Bezeichnung der positivistischen Richtung, die vom Standpunkt des ‹ignoramus ignorabimus›, des Nichtwissens, das metaphysische Wahrheitsproblem zwar nicht bestreitet, doch die Möglichkeit seiner Lösung verneint: «Now I, and many other Agnostics, believe that faith, in this sense, is an abomination» [2]. Der Agnostizismus ist kennzeichnend für den Kritizismus und Positivismus. Die Beschränkung auf das Erfahrungsmäßige, Positive führt aber nicht zur Konsequenz der Leugnung des Transzendenten, sondern eher zu einer indifferenten bis positiven Haltung ihm gegenüber. NIETZSCHE kritisiert diese Inkonsequenz des Denkens als «Erschleichung» einer vermeintlichen Emanzipation von der Theologie durch die agnostische These: «Es giebt kein Erkennen: folglich – giebt es einen Gott» [3]; die «Agnostiker, die Verehrer des Unbekannten und Geheimnisvollen an sich, woher nehmen sie das Recht, ein Fragezeichen als Gott anzubeten» [4].
    Auch vom Standpunkt des Marxismus wird die inkonsequente Haltung des Agnostizismus betont. So bemerkt ENGELS, daß der Zweifel an der Möglichkeit umfassender Erkenntnis nicht zur Eliminierung der von Hegel bereits theoretisch und von der Wissenschaft praktisch widerlegten Hypothese des Dings an sich führe, sondern nur zu einem «verschämten Materialismus» [5]; soweit der Agnostiker ein «wissenschaftlicher Mann» ist, «soweit er etwas weiß, soweit ist er Materialist; außerhalb seiner Wissenschaft, auf Gebieten, wo er nicht zu Hause ist, übersetzt er seine Unwissenheit ins Griechische und nennt sie Agnostizismus» [6].
    M. SCHELER sieht den Agnostizismus als eine nach den traditionellen Verhältnisbestimmungen von Religion und Metaphysik neu einsetzende Denkrichtung, die durch die Preisgabe der Metaphysik und die daraus resultierende Trennung von Metaphysik und Religion zu charakterisieren sei [7]. In größerer Differenzierung unterscheidet er von den Kantischen agnostischen Schulen, die die Rechtsgültigkeit metaphysischer Fragen und Probleme bestehen lassen und nur ihre theoretische Lösung leugnen, den positivistisch-sensualistischen Agnostizismus, der auch die Berechtigung dieser Fragen selbst verwirft [8]. Alle Arten des Agnostizismus hält Scheler für unhaltbare Resultate einer Selbsttäuschung [9], einer bewußten Verengung der Sphäre des Erkennbaren [10] auf «die zu einer menschlichen Organisation, ja überhaupt einem sog. transzendentalen Verstand relativen Gegenstände» [11].
    Auch H. COHEN beurteilt den Agnostizismus kritisch als «religiöse Spezialität des Skeptizismus» [12]: vom Standpunkt einer auf Vernunft gegründeten Religion muß die «Resignation auf die Schranken der Erkenntnis im Agnostizismus» überwunden werden [13]. An anderer Stelle charakterisiert Cohen mit dem Begriff ‹Agnostizismus› die Willens- Philosophie Schopenhauers und Nietzsches: «Die Tendenz einer sogenannten Metaphysik, welche den Willen auf Kosten des Intellekts offenbart, ist der Skeptizismus oder, wie man es heute wieder zu benennen pflegt, der Agnostizismus» [14]. Die Theorie der absoluten Selbständigkeit des Willens ist nach Cohen die Metaphysik des Agnostizismus, der durch die Ablehnung einer Vernunfterkenntnis des «Begriffes des Menschen» «einer selbständigen Ethik» widerstrebt [15].
    H. RICKERT überträgt Agnostizismus auf bestimmte Richtungen relativistischer Philosophie, die den Begriff des Absoluten von innen her aufzulösen suchten; ähnlich wie Nietzsche und Scheler setzt seine Kritik an der Inkonsequenz und Paradoxie relativistisch-agnostischen Denkens an. Die inkonsequente Richtung des Relativismus, die «von einem Absoluten» redet, das sie «nicht antasten will» und es damit doch «auch theoretisch als Absolutes» anerkennt, mag sie «es im übrigen für völlig unerkennbar erklären …, sollte man … lieber Agnostizismus nennen» [16].
    F. MAUTHNER unterstellt den Agnostikern nicht die uneingestandene Anerkennung des Absoluten, sondern die Vermeidung des «unschicklichen», aber zutreffenden Wortes «Atheist» [17]. Huxley und Spencer führten «zur Schonung der respectability das Schlagwort Agnostiker ein», um damit von neuem die doppelte Wahrheit von Glauben und Wissen zu behaupten: «Ernsthaften Agnostizismus würde nur Sprachkritik lehren, wenn sie die Begriffe Gott, absolut als Scheinbegriffe erkannt und die Begriffe unendlich, Wissen in ihrem historischen Wandel untersucht hat» [18].
    A. J. AYER bemängelt am Agnostizismus die Sinnlosigkeit des Aufzeigens einer Möglichkeit, die weder zum Glauben noch zum Unglauben führt und deshalb ohne Wirksamkeit bleibt: «we have seen that the sentences in question do not express propositions at all. And this means, that agnosticism also is ruled out» [19].
    In neuerer Zeit versucht E. BRUNNER zu einer historischen Beurteilung des Agnostizismus zu gelangen; der Agnostizismus löse wie der Positivismus den praktisch «verabschiedeten» Gott des Deismus durch die Behauptung eines «unerforschlichen Geheimnisses» ab [20]. Agnostizismus und Positivismus sind zwei Aspekte derselben Grundhaltung des Verzichtes auf Erkenntnis des Überweltlichen, wobei der Agnostizismus durch die Verallgemeinerung des ‹ignoramus ignorabimus› doktrinärer als der Positivismus Sci. Der positive Zug des Agnostizismus ist nach Brunner «etwas von der Erkenntnis …, daß alle rationale Gotterkenntnis im höchsten Grade hypothetisch und unsicher ist» [21].

    Anmerkungen.
    [1] Vgl. R. EUCKEN: Geistige Strömungen der Gegenwart (= Die Grundbegriffe der Gegenwart 61920) 398.
    [2] TH. H. HUXLEY: Agnostizismus and christianity. Collected Essays V (1894) 314.
    [3] NIETZSCHE, Werke. Musarion-A. 15, 442.
    [4] a.a.O. 16, 98.
    [5] K. MARX und F. ENGELS, Ausgew. Schriften (1958) 2, 89.
    [6] a.a.O. 91.
    [7] M. SCHELER, Werke 5 (41954) 138f.
    [8] a.a.O. 5, 139.
    [9] 5, 263.
    [10] Vgl. 10, 208. 204.
    [11] a.a.O. 10, 401.
    [12] H. COHEN: Relig. der Vernunft aus den Quellen des Judentums (21928, Neudruck 1959) 70.
    [13] a.a.O. 242.
    [14] Ethik des reinen Willens (21907) 20; vgl. 126.
    [15] a.a.O. 20f.
    [16] H. RICKERT: Allg. Grundlegung der Philos. (1921) 42f.
    [17] F. MAUTHNER: Wb. der Philos. (21923) 1, 20.
    [18] a.a.O. 21.
    [19] A. J. AYER: Language, truth and logic (London 1936, 121956) 116.
    [20] E. BRUNNER: Offenbarung und Vernunft (21961) 378.
    [21] ebda.
    CH. SEIDEL
    [Historisches Wörterbuch der Philosophie: Agnostizismus. HWPh: Historisches Wörterbuch der Philosophie, S. 503
    (vgl. HWPh Bd. 1, S. 110 ff.)]

  2. Zojuist is in het NOS Journaal bevestigd dat SGP-leider Kees van der Staaij inderdaad het zware politieke middel van een motie van afkeuring is gekomen nu het kabinet blijft bij de plannen om hulp bij zelfdoding wettelijk te regelen.
    Op het gevaar af dat ik nu, zoals de duurzaamheid- en klimaatbezorgdheid-pleitbezorgers eind vorige eeuw, door iedereen word afgeschreven als een solitaire geitenwollensokken-maverick, ga ik door met mijn stellingname / activisme met als inhoud / strekking
    dat (1) hier een speciaal geval van moord met voorbedachten rade door de overheid gefaciliteerd gaat worden,
    en
    dat (2) dit alleen mogelijk is geworden vanwege laakbare onwetendheid inzake nieuwe ontwikkelingen in wetenschap en filosofie van iedereen die hier over meepraat zoals ik bovenstaand artikel heb uiteengezet.22

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *