Vorige maand verscheen een boek dat bijzondere aandacht verdient. Het plaatje illustreert wat ik bedoel.

‘Schrijver en criminoloog Andreas Burnier / Ronnie Dessaur (1931-2002) was een leven lang ontheemd, hetgeen zijn weerslag vond in indringende romans als Een tevreden lach, De litteraire salon, Het jongensuur en in talrijke essays en lezingen’, specificeert de uitgever (Atlas Contact; ISBN 9789045028644).

‘Als Joods kind werd zij in de oorlog in zestien verschillende onderduikgezinnen geplaatst. Als “transgender avant la lettre” worstelde zij met haar identiteit. Als feministe weigerde zij mannenhaat en gebrek aan ambitie als deugden te aanvaarden. Als wetenschapper waagde ze het te vloeken in de Kerk der Rede. Wat Reve betekende voor de mannelijke homoseksueel, betekende Andreas Burnier voor de vrouwelijke. Toen de euthanasiewet in de maak was, die door heel vooruitstrevend Nederland werd omhelsd, wees zij in een fel pamflet op de gevaren ervan en bepleitte zij andere vormen van omgang met stervenden. In een tijd dat de ziel werd afgeschaft had zij de euvele moed het over de ziel te hebben’.

De publicatie van dit boek roept intense herinneringen bij mij op. Ik heb Catharina Irma Dessaur, zoals zij voor de burgerlijke stand heette, … – ‘goed gekend’, wilde ik schrijven maar terwijl ik op de toetsen voor de letters begon te drukken, kwam de vraag op of ik dat wel mag zeggen. Omdat de verschijning van dit boek een actueel moment in de media is, wil ik niet op het antwoord op die vraag wachten. Voor vandaag haal ik de ene herinnering naar voren die maakt dat ik het voorlopig zo durf te zeggen.andreas burnier

We gaan terug naar Utrecht, 1960. Ik was in het tweede jaar van mijn studie, las een bericht over een studiegroepje over antroposofie waar nieuwe leden konden komen meedoen, ging daar eens kijken en wist onmiddellijk ‘hier moet ik zijn’. Het bleek een sympathiek groepje van
een mens of twaalf. Ze lazen samen teksten van Steiner en discussieerden daarover. Achteraf herinner ik me vooral Ronnie, ook wel Reinier genoemd, destijds getrouwd met Emanuel Zeylmans van Emmichoven, zoon van de eerste voorzitter van de Antroposofische Vereniging in Nederland. Ze was de oudste van het groepje en op afstand de meest erudiete deelnemer, en had vanzelf een soort mentor-rol. Al meteen in een van eerste bijeenkomsten waar ik bij was, kwam het gesprek op iets dat Steiner had gezegd over de tijdgeest, en toen gebeurde iets memorabels. ‘Ik zie aan je gezicht dat je niet begrijpt waar we het over hebben’, zei Reinier. ‘Steiner bedoelt met de tijdgeest niet wat wij nu in het Nederlands onder tijdgeest verstaan en wat jij kennelijk ook denkt dat het is, maar Steiner heeft het hier over de aartsengel Michael’.

Zo hoor je nog eens wat. Dat was even wennen. De tijdgeest is een aartsengel. Maar het hoort er echt helemaal bij. Antroposofie gaat ook over engelen en aartsengelen, over God en goden en over de duivel en andere bovennatuurlijke wezens en goede en kwade bovenmenselijke machten. Je kunt alleen iets van de antroposofie gaan begrijpen voor zover je ook dat in je persoonlijke binnenwereld durft toe te laten.

Zelden heb ik in een zó kort moment iets zó belangrijks geleerd als toen, nu ruim een halve eeuw geleden. Nu ga ik het boek helemaal lezen; in een volgend stukje in De Ster ga ik verslag doen van wat ik uit dit boek nog meer geleerd heb. Oftewel: wordt vervolgd.

Voor vandaag specificeer ik alvast dat het boek in elke boekhandel uit voorraad leverbaar dient te zijn, en dat ik mij ervan vergewist heb dat dit in Kralingen het geval is.

Hugo Verbrugh


Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)

Lees hier de privacyverklaring Hiermee geeft u toestemming om wekelijks een nieuwsbrief te ontvangen.