Het woord dat ik deze week boven mijn stukje heb gezet, is een zelfverzonnen gedrocht. Het onderwerp waar het stukje over gaat, is een nog veel erger gedrocht, en dàt heb ik niet zelf verzonnen. Het gaat over de Brexit. Aanstaande vrijdag zal die uit de coulissen van het wereldtoneel naar de voorgrond geschoven worden. Dat zal de voorlopige afronding-annex-overgang-naar-volgende-aflevering zijn van wat ik bedoel met ’troeksit’. Dat woord is bedoeld als een verbastering van de Engels-internationale letter-combinatie ‘Truth-exit’. De waarheid verdwijnt dezer dagen zienderogen van het wereldtoneel en ze wordt steeds erger onzicht- en onvindbaar.

Troeksit is een onderwerp zonder begin, zonder einde en zonder middenstuk – iets als een steeds groter wordende hoop tot blubber vergaande plastic soep.

Ik zoek en vind troost dicht bij. ‘Alle politiek is lokale politiek’, leert een oude wijsheid, en DEZE vertrouw ik nog. Mooi dichtbij is de Witte de Withstraat. Daarover schreef Lotfi El Hamidi 20 januari in de NRC het volgende:

Het Rotterdamse kunstinstituut Witte de With aan deze Witte de Withstraat in het Witte de Withkwartier heet nog steeds Witte de With. En dat is opvallend, want drie jaar geleden had het kunstcentrum het voornemen naamsverwijzing door te voeren. Dat was een reactie op een protestbrief van activisten en cultuurcritici, die de naam Witte de With uit de publieke ruimte willen verbannen. De kunstinstelling is, net als de straat, vernoemd naar de beruchte zeevaarder Witte Corneliszoon de With uit de zeventiende eeuw, die flink heeft huisgehouden in de Oost. En nu komen de spoken uit het koloniale verleden hun gram halen.

Een klein profiel van de Witte de Withstraat. Ooit een no-go-area, nu de place to be. Voor toeristen en dagjesmensen een niet te missen plek bij een bezoek aan de stad. Een kunstzinnige straat en een van de weinige uitgaansgebieden waar het publiek zich daadwerkelijk mengt.

Dat de Witte de Withstraat niet altijd even hip en bruisend was kunnen de meeste Rotterdammers geboren voor 1980 zich nog wel herinneren. Louche cafés, illegale goktenten en bordelen, waar de straat de toepasselijke bijnaam ‘Wipperdewip’ aan te danken had. Het is bijna niet meer voor te stellen. En toch heeft de straat met de verwijzing naar de koloniale geschiedenis dus nog een duister randje, een oud randje weliswaar, maar voor de nazaten van de koloniale slachtoffers wel meer dan een rafelrandje.

Maar moet de naam straks wel van het straatbord verwijderd worden? Rechts Nederland roert zich, vreest voor een straatnaambordenstorm en pleit voor naamsbehoud van hun zeeheld. Zal de straat diens ‘besmette’ naam behouden, al dan niet met een disclaimer, dan is dat weer een domper voor de antiracismebeweging. Die zullen het beschouwen als de ‘aangepaste’ Zwarte Piet die zwart bleef maar geen oorbellen meer draagt. Racisme bouw je niet af, maar schaf je af.

Volgens Sofía Hernández Chong Cuy, sinds 2018 directeur van het kunstcentrum, was de aangekondigde naamsverandering „geen marketingcampagne, maar een filosofisch onderzoek”. Daar neemt de directie de tijd voor, vertelde ze vorige week aan de Volkskrant.

Laten we nog eens naar de straat kijken. Witte de With heeft er zelf geen gezicht, het zijn de gezichten van veel jonge Rotterdammers met verschillende achtergronden die het straatbeeld bepalen. In het kunstcentrum drukken steeds meer niet-witte kunstenaars hun stempel. ‘Witte de With’ is onbedoeld uitgegroeid tot een ode aan etnische en culturele diversiteit. In de praktijk is de straat al ‘gedekoloniseerd’. De geplande naamswijziging is wellicht onvermijdelijk, maar nodig is het allang niet meer.’

Het verhaal roept herinneringen en associaties op aan lang geleden. Rotterdam is ook de stad van de ‘gevelgedichten’ en allerlei mooie diepzinnige spreuken in de publieke ruimte. Rotterdammers die voor 1980 vaak in de Witte Withstraat kwamen, zoals ik, herinneren zich dat zich daar de NRC bevond. Van 1969 tot 1980 was ik de medische medewerker van deze krant. Mijn dagelijks werk was op een steenworp afstand in de Medische Faculteit. Af en toe kreeg ik ’s ochtends vroeg een telefoontje over belangrijk acuut medisch nieuws, een uur of zo later bracht ik dan mijn commentaar naar de krant. Wat een nostalgie …

De krant is een meneer. Marcel ten Hooven herinnerde op 23 mei 2012 in De Groene Amsterdammer hieraan in ‘De eeuw van Jérôme Heldring (1917-2013): Op zijn 94ste, na een journalistiek leven dat tot de Tweede Wereldoorlog teruggaat, is NRC-columnist Jérôme Heldring dan toch gestopt. Hij draagt een schat aan journalistieke kennis en ervaring met zich mee. Een testament van de chroniqueur van de “gedaantewisseling van de chaos”’

Het zou de NRC, nu elders gevestigd, sieren wanneer hij zijn Rotterdamse ‘roots’ zou memoreren door in deze straat een billboard te plaatsen, bijvoorbeeld met de tekst ‘Le Journal est un monsieur’.

Hugo Verbrugh


Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)

Lees hier de privacyverklaring Hiermee geeft u toestemming om wekelijks een nieuwsbrief te ontvangen.