Ik moet iets goedmaken. Vorige week kapittelde ik hier de rectores van de Nederlandse universiteiten. Ze zouden niet weten wat filosofie is en zelfs de Nederlandse taal niet goed machtig zijn, schreef ik. Dat oordeel baseerde ik op wat ik meende dat zij bepleitten, namelijk een totaal vrijblijvende wetenschap in plaats van de in ’t geniep links-ideologische geïnspireerde nep-wetenschap die ze volgens enkele leden van de Tweede Kamer via hun instellingen voor wetenschappelijk onderwijs zouden uitdragen. Dat is natuurlijk onzin, en de redactie van De Ster wees daar in naschrift terecht op. En gelukkig voegde zij ook toe dat de verdraaiing in mijn stukje ‘malicieus en ironisch bedoeld’ was, want zo was het inderdaad.

Maar hier past dus wel een wedergoedmaking, en omdat het een echt belangrijk onderwerp is, wil ik het meteen goed doen. Ik begin bij het begin. Wanneer en hoe begon wetenschap? Lang, heel lang geleden, kort na het begin der tijden, al bijna meteen toen de mens op het toneel verscheen, geef ik als antwoord. Over hoe dat toen precies ging, kan de wetenschap niets met zekerheid zeggen. Het beste dat ik er zelf ooit over gehoord heb komt van de filosoof Helmuth Plessner (1892-1985). Ik heb het gehoord van Jan Sperna Weiland (1925-2011), die Plessner zelf, in Groningen, goed gekend heeft; ik heb het opgeschreven in De Ster, Eureka-nummer 9 augustus 2005. Ik citeer:
‘Plessner was een bijzonder mens: tegelijk zeer geëngageerd en bescheiden. Hij luisterde intensief en gaf telkens de speciale bijdrage aan het gesprek waardoor het echt hoog niveau filosofie werd … en na afloop van het werk gingen we met het gesprek verder in Café De Faun, en dan zat Plessner helemaal op zijn praatstoel. Het moment dat ik me bij uitstek herinner was toen we een keer over God en de mens spraken, over hoe de mens in de schepping verscheen. “Es muss irgendwo geblitzt haben”, hoor ik hem nog zeggen. Letterlijk vertaald: “het moet ergens gebliksemd hebben”. Plessner bedoelde: op een gegeven moment moet in de ontstaansgeschiedenis van de mens op een of andere manier een soort bliksem ingeslagen zijn – een “goddelijke vonk” zouden we nu misschien zeggen (hoewel Plessner goed Nederlands kon, spraken we daar altijd Duits). Met die woorden neemt Plessner uitdrukkelijk stelling in de theorie over hoe de mens op het toneel verschenen is. De evolutietheorie, hoe geldig en onmisbaar ook, is niet toereikend om dat te verklaren; het kan niet anders of er is óók iets van buiten de natuur “ingeslagen”‘.

In iets meer woorden in mijn eigen versie naverteld: direct nadat de menselijke vonk was ingeslagen, werd die gesplitst in twee delen genaamd Adam en Eva. Die wisten en mochten en konden alles behalve één ding: eten van de vruchten van de boom der kennis. Maar toen kwam, als een soort echo van de zogenaamde oerknal, de opdracht aan die mens (m/v) om vrij te worden. Die opdracht werd door de slang aan Eva doorgegeven met als belofte: ‘als je toch van die verboden vruchten eet, zullen jullie worden gelijk de goden, kennende goed en kwaad [… eritis sicut dei, scientes bonum e malum]’. De gevolgen zijn bekend; maar de ware impact van die gevolgen is helemaal niet bekend – integendeel, die moeten wij elke dag opnieuw ontdekken, om niet te zeggen zelf weer uitvinden. Dáár, in de onmiddellijke en tijdloze nasleep van dit voorhistorische nulpunt in het paradijs, ligt het eigenlijke probleem van de vrijheid van wetenschap.

PS (1) Ironie is een oud verhaal. Het begon circa 600 vC. Mensen begonnen zich nieuwe vragen te stellen. In Athene gebeurde dat op een heel speciale manier. Socrates werd de eerste wereldburger die zijn medeburgers ging toespreken en bevragen terwijl hij, bij wijze van spreken, zomaar op een zeepkist stond, alsmaar vragend: ‘Weet je eigenlijk wel wat deugd is? Waarom zou je misschien deugdzaam willen worden?’ – zulke open en uitdagende vragen. De ethiek ‘werd geboren’ – en, inspirerende samenhang! – de ironie. Aan één stuk door borend, zuigend, drammend, anderen lastigvallend, profeteert Socrates tegelijk dat het enige wat hij weet, is dat hij zelf helemaal niets weet. Zodoende opent hij actief in de ander de vrijheid om te erkennen dat die ook niets weet, waarna ze samen proberen wel iets te weten te komen. Dat is wijsheid van alle tijden. Dialectiek, le mouvement, c’est la vie, leven is beweging. De vraag ‘Hoe ontstond het leven op aarde?’ is fout. Er was éérst leven, het levenloze kwam pas daarna. De samenhang van weten en handelen, de ‘eenheid van waarnemen en bewegen’- in nucleo is alles al bij Socrates.

PS (2): sprekend over de Nederlandse taal: vorige week kregen wij onze stempassen. Daar lees ik [cursivering van mij]: U kunt met deze stempas stemmen in alle stemlokalen in uw gemeente of als u in Caribisch Nederland woont, uw openbaar lichaam. Hûh? Heb ik een ‘openbaar lichaam’? Wat leert de wetenschap mij hierover? Wie geeft mij antwoord?

Hugo Verbrugh

Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)