De afgelopen ongeveer twee jaar zijn wij door de corona-toestand bijna chronisch verbannen naar binnenskamers. Dat heeft ook aardige kanten gehad – althans voor sommigen; ik heb intussen begrepen dat al die toestanden op een groot deel van de jongeren vooral heel slecht gewerkt heeft. Maar wij hier in ons mooie huis in Kralingen hebben bijvoorbeeld nieuwe aardigheid gekregen in allerlei bordspelletjes. Het plaatje laat dat in detail zien! De foto laat zien hoe wij net ‘een potje Mens …’ gespeeld hebben (zo noemden wij dat in mijn eigen kinderjaren, bijna ¾ eeuw geleden). Het spel is net klaar; rood heeft gewonnen, geel en groen zijn ongeveer op voet van gelijkheid bijna ook ‘binnen’. Kleindochter Andrea heeft nog een speels terugkijk-onderonsje met Opa = auteur van dit stukje. Ik zit iets onduidelijks met mijn vingers bij mijn mond te doen;  voor zover ik me achteraf herinner wat ik een week of wat geleden zat te doen terwijl Andrea’s vader Jeroen deze foto maakte, zat ik nog even mijn fetisjistische bijgeloof-stemming te demonstreren door de dobbelsteen waarmee ik het toeval in handen had, een kusje te geven; Oma dacht, zo te zien, intussen al weer aan iets anders.  Zelf heb ik al tijdens het spel veel aan iets anders zitten denken. Aangevuld met van alles dat ik er in de volgende dagen bij gedacht en voor beter begrip in cyberspace over nagekeken heb, is dat, puntsgewijs kort samengevat, ongeveer dit:

(1) ‘Mij spreekt de blomme een tale’, schreef de Vlaamse dichter Guido Gezelle (1830 – 1899) lang geleden. Virtueel, maar tegelijk absoluut veridiek en overtuigend, ‘zag, las, hoorde’ (aanhalingstekens!) hij wat de natuur hem wilde openbaren. Dat is een reële werking van het menselijk kenvermogen.

(2) Mij (= ik, HV, auteur van dit stukje; gefotografeerd tijdens het “Mens-erger-je-niet” spelen) ‘spreken’ de bewegingen van de beide andere spelers die ik zie en innerlijk volg, ‘een tale’. Daarmee bedoel ik ongeveer: ‘Ik beweeg innerlijk mee, ik “voel” min of meer duidelijk welke “strategie” zij volgen met hun vier pionnen.’

(3) Vraag mij nu niet om in woorden naadloos aan u, lezer, precies uit te leggen wat ik hiermee bedoel.

(4, bij wijze van P.S., alleen voor fijnproevers): voor mezelf herken ik in wat ik in punt 1 t/m 3 samenvatte iets dat ik lang geleden gelezen heb in het boek ‘De woorden en de dingen – Een archeologie van de menswetenschappen’ van de Franse filosoof  Michel Foucault (1926-1984) uit 1966: Tussen de merktekens en de woorden bestaat niet hetzelfde onderscheid als tussen observatie en aanvaard gezag of tussen verifieerbare feiten en traditie. Het is overal het zelfde spel. Overal heerst dezelfde wisselwerking, die tussen het teken en zijn gelijkenis, en daarom kunnen de natuur en het woord zich eindeloos met elkaar verweven en voor iedereen die kan lezen één enkele grote tekst vormen. ‘Les mots et les choses – Une archéologie des sciences humaines‘. Entre les marques et les mots, il n’y a pas la différence de l’observation à l’autorité acceptée, ou du vérifiable à la tradition. Il n’y a partout qu’un même jeu, celui du signe et du similaire, et c’est pourquoi la nature et le verbe peuvent s’entrecroiser à l’infini, formant pour qui sait lire comme un grand texte unique.

Hugo Verbrugh


Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)

Lees hier de privacyverklaring Hiermee geeft u toestemming om wekelijks een nieuwsbrief te ontvangen.