Racisme is, zo lijkt het althans, terug van weggeweest. Of het echt waar is, durf ik niet te zeggen – vandaar het ‘zó lijkt het’. Wat ik wel durf te zeggen, is dat in de media steeds meer materiaal over racisme komt dat filosofisch en politiek meer aandacht verdient dan het krijgt. Ik illustreer mijn stelling aan één recent item. In de NRC van 6 december schreef Leo Lucassen, directeur onderzoek van het Internationaal instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam en hoogleraar aan de Universiteit Leiden, over het recente nieuws over groepsverkrachtingen in Den Bosch. Tweets van sommige commentatoren  ‘leggen een ziekelijke obsessie met immigranten, etniciteit en de islam bloot’, stelt hij. ‘Een obsessie die we vooral aantreffen bij radicaal- en extreem-rechts.’

De verwijzing naar ziekte in de zin ‘Hun tweets leggen een ziekelijke obsessie met immigranten, etniciteit en de islam bloot’ brengt mij de novelle ‘Der wiedergefundene Freund’ (1971 / 1977) van de Duits-Engelse auteur Fred Uhlman (1901 – 1985) in herinnering. Ik vat samen: in het Duitsland van Hitler nog voor de oorlog raakt Hans, een joodse burgerjongen, bevriend met Konradin, een nazaat van een zeer adellijke familie. De jongens kunnen het prima met elkaar vinden, maar er is één probleem: de ouders van Konradin zijn fervente nazi’s en antisemieten. Met name bij de moeder, legt Konradin uit, leeft de afkeer van Joden met een soort fysieke oerkracht die, zoals ik nu in mijn woorden aanvul, je bijna alleen in sprookjes en mythen tegenkomt. Uit de beschrijving die Uhlman de jonge Konradin laat geven – en ook de nu volgende conclusie komt voor mijn rekening – krijg je als lezer de indruk dat bij die moeder sprake is van ziekte – van een via de genen overgedragen aangeboren psycho-mentale eigenaardigheid.

Dit idee is, ik geef het toe, ietwat eigenaardig. Ik bedacht het in de hoogtijdagen van de genetica, het debat over nature (de invloed van genetische factoren op ziekte en gezondheid) en nurture (de invloed van omgevingsfactoren), eind vorige eeuw. Er werden toen Nobelprijzen uitgeloofd voor wie een ziekte zou ontdekken die niet erfelijk (mee)bepaald is; ik gaf onderwijs in de filosofie aan studenten geneeskunde en zette hen onder meer over deze vraag aan hetdenken.

Het boek van Uhlman is in 22 talen vertaald. Ik heb alleen de Franse vertaling in mijn boekenkast kunnen vinden. Het plaatje spreke voor zichzelf.

In april 1993 deed de fysicus Brian Josephson (Nobelprijs natuurkunde 1973) een curieuze duit in het zakje van de discussie over de relatie tussen nature en nurture door in een gezaghebbend wetenschappelijk weekblad te stellen dat er een gen voor ‘religious practices‘ zou be­staan. Zijn idee stuitte op nogal wat scepsis, en als hij zijn verhaal niet op gezag van zijn Nobelprijs in dat tijdschrift gepublicee­rd had kunnen krijgen, zou niemand het serieus hebben genomen. Nu kreeg hij enig weerwoord.

Het idee dat de mens totaal genetisch bepaald is, appelleert aan diepgewortelde instincten die bij vele mensen operationeel zijn, leerde ik mijn studenten. Wie zó over de mens denkt, moet wel bereid zijn een gen voor van alles en nog wat postuleren, of althans potentieel aannemelijk te achten. En aangezien alle kennis nu eenmaal menselijke constructie is, zou het een groep onderzoekers die dit postulaat empirisch willen bewijzen, in principe ook daadwerkelijk moeten kunnen lukken dit te bewijzen, orakelde ik destijds – zuiver filosofisch bedoeld. In de media was het idee destijds ook erg populair.

Intussen, ongeveer een kwart eeuw later, zijn we verder – vooruit of achteruit? Dáárover is discussie mogelijk – gekomen. Het nature-nurture-debat is achterhaald; ‘identiteit’ is nu een sleutelbegrip, en we doen aan identiteitspolitiek. Het begrip Volksgemeinschaft heeft zijn finest hour gehad in Hitler-Duitsland (de bewoners van dat land beleefden hun identiteit als volgelingen van de Führer [Einer befiehlt, die Anderen gehorchen: Eén man beveelt, de anderen gehoorzamen]). Het Duitse volkslied met zijn titel en aanhef roept nog steeds misverstanden op: ‘Deutschland, Deutschland über alles – über alles in der Welt, – wenn es stets zu Schutz und Trutze – brüderlich zusammenhält. – “Duitsland, Duitsland boven alles, boven alles in de wereld, wanneer het steeds voor bescherming en weerstand broederlijk bijeen blijft.” In mijn verbeelding hoor ik vanachter de horizon leuzen aankomen als ‘Rechts-populisten aller provincies van onze Lage Landen bij de Zee – verenigt u’. “Geef mij maar Rotterdam”, roep ik terug. Quaevis terra patria, ‘Zover de aarde reikt, is mijn vaderland’, leren wij van onze Grote Inspirator – de enige filosoof die al tijdens zijn leven wereldberoemd geworden is en dat nu nog steeds is, dank zij een humoristisch boek.

Hugo Verbrugh


Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)

Lees hier de privacyverklaring Hiermee geeft u toestemming om wekelijks een nieuwsbrief te ontvangen.