‘Als u van Holland houdt zoals het op de ansichtkaarten staat, is Rotterdam niks voor u.’

Met deze waarschuwing opende vorige maand een paginagroot artikel in het Frans-Zwitserse dagblad Le Temps (21 november). De volgende zinnen leggen meteen uit hoe dat komt. In mijn ietwat vrije vertaling:

‘Lopen of fietsen in deze tweede stad van Nederland, is alsof je de bladzijden omslaat van een catalogus van experimentele architectuur: verrassend, intrigerend, maar daarmee niet meteen ook leuk (plaisant). Je ziet er gebouwen die steil omhoog opgetrokken zijn als potloden, je komt langs torenachtige bouwsels die volgekrast zijn met schreeuwerige kleuren, je kunt boodschappen doen in supermarkten in de vorm van een ruimtevaartschip – kortom, de stad staat vol met allerlei vastgoed dat de spot drijft met de axioma’s van de euclidische wiskunde. Dit curieuze rommelzooitje (drôle de patchwork) heeft Rotterdam in de eerste plaats te danken aan de Duitsers. Op 14 mei 1940 bombardeerde de Luftwaffe de stad en verwoestte min of meer het hart van de stad. … Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog was Rotterdam nauwelijks meer toonbaar (est défigurée).

Dat begint veelbelovend – Rotterdam als meta-postmodernistische anti-archtectuur-stad – lekker tegendraads. Het inspireert mij tot een een speculatie. Onze stad heeft al eeuwen een uniek eigenzinnige genius loci, een specifieke geest van deze plaats, die de mensen die daar wonen al eeuwen inspireert. Iets van die genius loci kunnen wij ook onderkennen in de drie grote filosofen in de Europese geschiedenis aan wier naam de naam van onze stad op de een of andere manier verbonden is.

(1) Nummer één in alle opzichten is onze Desiderius Erasmus, 1466?-1536. In de geschiedenis van de relaties tussen filosofen en de plaatsen waar ze vandaan komen of gewerkt hebben, neemt de relatie tussen Rotterdam en Erasmus een volstrekt unieke plaats in. Erasmus is hier geboren en (korte tijd) getogen maar niemand an
ders heeft zich ooit zó nadrukkelijk getooid met de naam van de plaats waar hij zijn leven begonnen was, en niemand is zó bekend geworden met die zelfgekozen toegevoegde plaatsnaam als Erasmus Roterodamus. Wat betekent deze unieke plaatsgebonden naamsbekendheid?Rotterdam en zijn filosofen

(2) Pierre Bayle, 1647-1706 († in Rotterdam!) is een heel ander verhaal. In 1681 moet hij als politiek-godsdienstige dissident vluchten uit zijn vaderland. Hij bepleit een totale vrijheid van meningsuiting en daar is het despotische Frankrijk niet van gediend. In het om zijn gastvrijheid en tolerantie bekend staande Nederland kiest hij onze stad omdat ze daar alleen aan handel doen. Wat mensen aan filosofische theorieën debiteren, interesseert hen daar niet, aldus haar reputatie [de werkelijke geschiedenis ligt iets genuanceerder]. Toch wordt hij al tijdens zijn leven bekend als ‘le philosophe de Rotterdam’.

(3) Bernard Mandeville, 1670 (in Rotterdam!) – 1733 in Engeland, is wéér een ander verhaal. Déze Rotterdammer is vooral bekend geworden door zijn stelling dat de ondeugd de eigenlijke bron van het algemeen welzijn is, terwijl de deugd die juist kan schaden. De hebzucht van de losbandige is tot nut van de maatschappij als geheel. De regel dat individueel nut niet gelijk hoeft te zijn aan maatschappelijk nut, is een belangrijke stelling in de economie, die naar hem nu ook de Mandeville-paradox heet. Deze stellingname schokte de gemeenschap destijds hevig, werd bestreden door de meeste van zijn vrome tijdgenoten, maar geldt vandaag de dag als … – nou ja, hij wordt zeer verschillend geduid.

Voor geïnteresseerden is van het artikel in Le Temps om niet [= gratis, voor niks] een kopie verkrijgbaar in het bureel van De Ster.

Hugo Verbrugh

Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)