‘Niets ter wereld is zó goed verdeeld als het gezonde verstand’. Met deze vermetele stelling opende de filosoof René Descartes in 1637 zijn klassiek geworden verhandeling onder de titel [in mijn eigen, eigentijdse vertaling]: ‘Vertoog over de methode die men moet volgen om met het vermogen tot redelijk denken dat de mens eigen is, daarmee (met kans op succes) in de wetenschap de waarheid te zoeken’ oftewel in het origineel: Discours de la methode pour bien conduire sa raison et chercher la vérité dans les sciences.

Dat is nogal wat. Gelukkig geeft Descartes als gewetensvol filosoof meteen aansluitend een goed doordachte argumentatie voor deze boude uitspraak: ‘Want iedereen is er zó sterk van overtuigd daarvan voldoende te hebben, dat zelfs de mensen die over alle andere dingen nooit tevreden zijn, nooit erover klagen dat ze er meer van verlangen dan ze hebben’.

Dit beroemde stukje tekst kwam in mijn herinnering toen ik afgelopen vrijdag in de Erasmus Universiteit op Woudestein luisterde naar Diane Pecher. Zij is onlangs, zoals de uitnodiging specificeerde, ‘benoemd tot bijzonder hoogleraar Psychologie, in het bijzonder Cognitie en Mentale Representaties, bij de Erasmus School of Social and Behavioural Sciences, vanwege het Erasmus Trustfonds’, en zij sprak de oratie uit waarmee zij haar ambt aanvaardde.

Deze openbare les ging over ‘De flexibiliteit van onze kennis’. Die is ‘veranderlijk en meegaand’, zoals de titel van de oratie samenvat. Dat oordeel over de aard van onze kennis is minstens zo vermetel als de openingszin van Descartes’ vertoog. Eigenlijk is het, is althans mijn oordeel, revolutionair. Dat vraagt uiteraard uitleg. Een eerste aanzet daarvoor geef ik hier in mijn eigen woorden in een dozijn punten, in de vorm van een korte historische reconstructie van de ontstaansgeschiedenis van de kennis- en wetenschapsleer.

(1) De vraag ‘hoe kunnen wij als menselijke wezens kennen en weten?’ is zo oud als de mens zelf.

(2) Dat is al gecodificeerd in het oudtestamentische bijbelboek Genesis

(3) Daar wordt verteld hoe de mens geschapen werd, en hoe de slang de mens verleidde tot het eten van de verboden vruchten van de boom der kennis, en voorspelde: ‘Gij zult zijn gelijk de goden, kennende goed en kwaad’.

(4) Hoe het daarna verder ging, is in grote lijnen bekend. Ik sla nu bijna de hele rest van de geschiedenis over en herneem het verhaal in de tijd tussen 800 en 200 v.Chr. , waarin wereldwijd ‘de filosofie’ werd gecreëerd.

(5) In het Griekenland van die tijd verschenen de eerste filosofen van Europa, en het eerste wat ze deden, was vragen stellen en deels beantwoorden over hoe wij onze kennis verwerven.

(6) Een van de eerste van deze filosofen was Herakleitos van Ephese (ca. 500 v.Chr.), en in een van de fragmenten die van zijn werk bewaard gebleven zijn, introduceert hij het begrip ‘logos’ op zodanige wijze, dat hij eigenlijk beschouwd mag worden als de schepper van de oervorm van wat we nu ‘het cognitieve paradigma’ noemen, oftewel het ‘denkraam’ waarin wij onszelf vertellen hoe wij, een beetje zoals dramatisch verbeeld in het verhaal van de Baron van Münchausen die zich aan zijn eigen haren uit het moeras trekt, ons eigen kenvermogen onderzoeken met behulp van dit kenvermogen. Noteer mijn voorbehoud ‘… een beetje … dramatisch …’: de werkelijkheid was aanzienlijk ingewikkelder.

(7) Ik sla opnieuw een heel stuk geschiedenis over, ga naar het einde van de Middeleeuwen, en vat de bijdrage van de Dominicaner filosoof en theoloog Thomas van Aquino (1225-1274) aan de kenleer simpel aldus samen: wij krijgen kennis langs drie wegen: [1] van buiten af via onze zintuigen [empirische kennis], [2] van binnen uit via ons verstand, onze introspectie [rationele kennis] en [3] uit de Openbaring [daar kunnen wij alleen aan (en daaraan moeten wij dus!) geloven.

(8) Vier à vijf eeuwen later wordt het cognitieve denkraam verder vereenvoudigd. De Engelse, in hart en nieren empirische filosoof John Locke (1632-1704) maakt faam door zijn stelling ‘Er is niets in de geest, in onze kennis dat niet eerst in de zintuigen was’ [Nihil est in intellectu quod non fuerit in sensu]; vanaf het continent corrigeert de Duitse polymath Gottfried Leibniz (1646-1716) hem: ‘Behalve de geest, het intellect als zodanig’ [Nisi intellectus ipse]. De Openbaring is dan intussen uit filosofie en wetenschap verdwenen.

(9). Ongeveer twee eeuwen later gaf Helmuth Plessner (1892-1985) een interessante draai aan de discussie over kennisverwerving in de oratie waarmee hij hoogleraar in Groningen werd:  ‘Is er vooruitgang in de wijsbegeerte?’ (1946).

(10) Drie decennia later [ik selecteer nu hoogst willekeurig] vat de legendarische Nederlandse psycholoog  Piet Vroon (1939-1998) het probleem aldus samen in zijn bijdrage aan het Leerboek der Psychologie (1976/1981) [met onderstreping door mij]: ‘Het begrip “waarnemen” lijkt aan te duiden, dat mens en dier in het bezit zijn van zintuigen die de werkelijkheid zonder vorm van proces openbaren. Een gezegde als “ik geloof het zodra ik het zie” sluit hierop aan. Daarmee is echter bepaald niet het laatste woord gesproken. Men kan de waarnemingspsychologie op verschillende manieren definiëren en beoefenen, en dat komt omdat het hier gaat om de verhouding, tussen een organisme en zijn omgeving. Deze relatie kan filosofisch op verschillende manieren worden beschouwd.’

(11) Dit ‘…  bepaald niet het laatste woord gesproken …’ is een zwaar understatement. In 1999 werden de intussen beroemd geworden ‘spiegelneuronen’ ontdekt.

(12) Daarmee werd ‘het cognitieve paradigma’ wat het nu is: een forum waarop wetenschap en filosofie in een door niets belemmerde vrijheid opereren.

Tekst loopt door onder de foto

Diane Pecher volgt het voorbeeld van Erasmus, daarbij kritisch gevolgd door René Zeelenberg. (foto: Heleen van Mierlo)

Tot zover mijn korte samenvatting van de geschiedenis van ons inderdaad flexibele, veranderlijke en meegaande kenvermogen. Ik besluit met twee citaten uit de oratie van Diane Pecher.

Het ene is: ‘De kennis die wij mensen gebruiken bestaat uit talloze mentale representaties. En nu moet u even opletten, want ik ga dit begrip uitleggen, en anders kunt u de rest van deze lezing misschien niet meer volgen. Mentaal betekent in gedachten, en representatie is een weergave of een voorstelling van iets. Mentale representatie is dus vaktaal voor zoiets als beelden in je hoofd.’

Het tweede, een eindje verder is: ‘Ik voel bij u nu al vragen opkomen. Nu is het zo dat je bij een oratie als publiek geen vragen mag stellen. Ik spreek, jullie luisteren, zo is het nu eenmaal.’

Wat Diane had aangevoeld over vragen, sloeg in elk geval (1) op mij terwijl ik zat te luisteren, en ik vermoed intussen dat bij u, lezer van dit stukje, (2) ook vragen opgekomen zijn. ‘Wat moet bij voorbeeld dat voorbehoud “waarschijnlijk” in de titel van mijn stukje?’ Om die twee redenen heb ik Diane gevraagd een ‘interview-gesprek’ met haar te voeren. Dat hebben we in het weekeinde gedaan en een eerste verslag ervan staat bij de reacties op de site van De Ster.

Hugo Verbrugh


Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)

Lees hier de privacyverklaring Hiermee geeft u toestemming om wekelijks een nieuwsbrief te ontvangen.