Het gaat natuurlijk ook nu weer over corona – maar ik heb ook iets nieuws. Ik begin met een startpagina van vier zogeheten ‘prolegomena’ = ‘vooraf gelezen moetende worden tekstjes’.

(1) De aanzet gaf een ingezonden brief in de NRC van afgelopen zaterdag. De schrijver stelde dat het noodzakelijk is ‘om tussentijdse verkiezingen uit te schrijven. Want het stond in geen enkel verkiezingsprogramma dat, mocht de nood aan de man komen, 70-plussers als eersten over de reling van het staatsschip gegooid zullen worden bij een gebrek aan reddingsboten.’

(2) De brief was een reactie op een artikel van Ton Elias (VVD, oud-Tweede Kamerlid). ‘Artsen komen … voor dilemma’s te staan’, schreef die onlangs. ‘Eind vorige week gaf de Vereniging voor Intensive Care antwoord: in het uiterste geval wordt de grens voor toelating op de IC 70 jaar, … (Dit) is bij uitstek een politiek-ethische vraag. Politici zouden die moeten beantwoorden. Niet met een wet, maar met een politieke uitspraak, na een waardig politiek-ethisch debat. En niet om die artsen per aangeboden patiënt mathematisch voor te schrijven wat ze in het onverhoopte geval in die triage-tent moeten beslissen, maar om een richtinggevende mening vanuit de politiek aan te reiken.’

(3) In dezelfde krant betoogde Caroline de Gruyter dat het NU ‘het moment is waarop politici een nieuw Groot Verhaal moeten vertellen.’ nrc.nl/nieuws/2020/04/10/dit-is-nog-maar-het-begin-a3996489#/handelsblad/2020/04/11 Zulke duidelijke taal spreekt de filosoof aan.

(4) Geen van deze auteurs verwees naar een verzuchting van Martijn Katan uit 1985 waarin de algemene strekking van dit probleem al aan de orde kwam: “Wanneer een slinkend aantal actieven het geld moet opbrengen voor de medische behandeling en verpleging van steeds grotere aantallen zieke of invalide oudere medeburgers, dan zal dat het maatschappelijk verzet tegen euthanasie ondermijnen. …   Ik zie dan ook in de volgende eeuw het spookbeeld opdoemen van een massale, door de staat gesanctioneerde of zelfs aangemoedigde euthanasie’ (geciteerd door hem zelf in de NRC van 16 december 2017).

Voortbordurend op mijn stukje van vorige week, desteronline.nl/nieuwe-inzichten-in-de-nabijdedoodervaring, stel ik nu opnieuw het onderwerp aan de orde waaraan minstens één hoofdstuk in dit Grote Verhaal gewijd moge worden: de BDE oftewel BijnaDoodErvaring, tegenwoordig meestal NDE, NabijdeDoodErvaring genoemd. Nu koppel ik het direct aan de corona-toestanden. Nimmer sinds 1945 is in West Europa de dood van zoveel mensen op een zo nieuwe manier zo indringend en langdurig aan de orde geweest als nu sinds het begin van dit jaar in toenemende mate het geval is. Dat roept, allicht, allerlei vragen op. Eén vraag heb ik in de actuele media nog niet gesteld gezien: ‘Van welke aard waren de gewaarwordingen /gevoelens / belevingen / ervaringen van de overledene in de laatste ogenblikken van zijn of haar leven?’ Die vraag wordt uitvoerig besproken in de eerste systematische tekst over de NDE, de ‘Notizen über den Tod durch Absturz‘ van Albert Heim (1892). Een Nederlandse versie is onlangs gepubliceerd:: ‘Enkele aantekeningen over plotselinge dood door een onverwachte val’.

Säntis - Batzberg IMG 9803

Bijschrift afbeelding: De Santis is een berg in de Appenzeller Alpen, een drie-kantons-punt van de kantons Appenzell Innerrhoden, Appenzell Ausserrhoden en Sankt Gallen, is de hoogste berg van het Vooralpenmassief Alpstein, een ondergroep van de Appenzeller Alpen, is 2502 meter hoog en ligt vrij geïsoleerd, zodat hij een markante positie in het land inneemt. Heim heeft daar zelf een NDE beleefd. Hij schrijft daarover: ‘Als een groep goede bergbeklimmers bestegen wij in 1871 bij nog tamelijk veel sneeuw vanaf ‘de blauwe sneeuw’ bij de Säntis omhoog richting Seealp. Ik ging voorop. We kwamen boven de Fehlalp op ongeveer 1800 meter aan de bovenrand van een steile sneeuwgang (Schneecouloir) die tussen twee, in de atlas van Siegfried (bladz. 240) duidelijk getekende, rotskoppen steil omlaag trekt; de anderen aarzelden, ik ging meteen staande naar beneden. Het ging zeer snel. De wind (Windzug) wilde mij de hoed afnemen. In plaats van hem te laten gaan beging ik de vergissing hem nog snel te willen pakken. Deze beweging maakte dat ik viel. Nu kon ik mijn val niet meer beheersen. Ik dreef met de snelheid van de wind tegen de rotskop aan de linkerkant, knalde tegen het Felsbord naar boven, suisde daarna op mijn rug met mijn hoofd naar beneden over de rots, en vloog daarna nog circa 20 meter door de lucht tot ik op de sneeuwrand [Schneekante] onder de rotswand bleef liggen. Meteen op het moment dat ik viel, zag ik in, dat ik nu tegen de rots gesmeten zou moeten worden, en ik verwachte de dreun. Ik groef en klauwde met gekromde vingers in de sneeuw om zodoende te remmen, en scheurde mijn vingers open tot ze bloedden, zonder pijn te voelen. Ik hoorde precies hoe mijn hoofd en mijn rug tegen elke kant van de rots sloegen en ik hoorde de doffe slag tot ik beneden op de bodem viel. Pijn [Schmerzen] voelde ik daarentegen pas na ongeveer een uur. Tijdens de val voltrok zich de genoemde gedachtenvloed.  Wat ik toen in vijf tot tien seconden gedacht en gevoeld heb, laat zich zelfs in tien maal zoveel minuten niet vertellen. Alle gedachten en voorstellingen waren coherent [zusammenhängend] en klaar en duidelijk, allerminst droomachtig verward [verwischt]. In eerste instantie overzag ik de mogelijkheden van mijn (verdere) lot(gevallen) en ik zei tegen mezelf: “de rotskop waar ik zometeen opgesmeten zal worden, valt  kennelijk onderaan als een steile wand af”, want hij bedekte  de bodem (af) voor mijn blik; “het hangt er nu helemaal van af [es kommt … darauf an] of onder de rotsrand nog sneeuw ligt. Als dat het geval is, zal de sneeuw van de wand afgesmolten zijn en een scherpe rand (Kante) vormen. Als ik op de sneeuwkant val, kan ik het er levend afbrengen, maar is er daarentegen beneden geen sneeuw meer, dan stort ik zonder twijfel in de steenslag [Felsschutt] en dan is bij deze valsnelheid de dood zeker niet te vermijden. Als ik beneden niet dood en niet bewusteloos ben, dan moet ik meteen mijn flesje ‘azijnether’ [Essigäther] pakken, dat ik bij het vertrek op de Säntis niet meer heb opgeborgen in mijn draagbare apotheek [Tornisterapotheke] maar in mijn vestzakje meegenomen heb, en daar enkele druppels van op mijn tong nemen. Mijn stok wil ik niet laten gaan, misschien kan hij me nog nuttig worden.’

Zó helder en coherent zijn soms de gewaarwordingen van een authentieke NDE! (H.V.)

Hugo Verbrugh


Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)

Lees hier de privacyverklaring Hiermee geeft u toestemming om wekelijks een nieuwsbrief te ontvangen.