‘Zomertijd, komkommertijd? Al lang niet meer. De redactie draaide overuren de voorbije week …’, mailde Pieter Vandermeersch, hoofdredacteur van NRC Handelsblad, zondagochtend een week of wat geleden aan abonnees met wie hij digitaal communiceert. En inderdaad, er is de afgelopen weken veel gebeurd dat aandacht van de journalistiek verdient, en het gaat nog steeds door. Daarover is iedereen het wel eens. Veel minder publiciteit krijgt het feit dat binnen de journalistiek nogal wat vragen leven over hoe die aandacht gegeven moet, of althans het best kán worden.

Rob Wijnberg, de Nummer Eén van het nieuwe, revolutionaire online verspreide journalistieke product De Correspondent, had er onlangs een indringend commentaar over. Hij vergelijkt de situatie waarin journalisten zich nu bevinden met wat gebeurt en niet gebeurt in de film Groundhog Day [een Amerikaanse filmkomedie annex psychologische /parapsychologische science fiction fantasie, uit 1993 over een chagrijnige weerman (gespeeld door Bill Murray) die met veel tegenzin in een klein plaatsje een reportage moet maken en daar vervolgens elke morgen op diezelfde dag opnieuw wakker wordt. Het betreft een jaarlijks feest op 2 februari in delen van Noord-Amerika, waarop een bosmarmot (groundhog) genaamd Phil voorspelt hoe lang de winter nog zal aanhouden door op een beschaduwd of zonnig moment uit zijn hol te komen. De hoofdpersoon, de weerman van een lokaal televisiestation, wordt naar het gehuchtje Punxsutawney gestuurd om voor de zoveelste keer verslag te doen van deze gebeurtenis. Hij heeft totaal geen zin in de kleine opdracht en vindt het maar gezeur. Hij doet de reportage met duidelijke tegenzin, tot irritatie van zijn team. Als het team ‘s avonds terug naar huis wil, komt er een gigantische sneeuwstorm op en is het team gedwongen om in het dorp te blijven. De volgende morgen wordt de weerman wakker en hoort hij exact dezelfde grappen en hetzelfde nummer op de radio. Het blijkt zowaar opnieuw Groundhog Day te zijn en alles verloopt precies hetzelfde als de dag ervoor. Het wordt hem al snel duidelijk dat hij in zijn eentje gevangen zit in een tijdlus waardoor de dag telkens opnieuw begint, en dat hij de enige is die dit beseft; de andere mensen weten van niets. Vanaf dat moment is het elke dag Groundhog Day voor Bill Murray.

De vergelijking die Wijnberg maakt begint aldus: ‘Groundhog Day was de term die zich aan mij opdrong na de aanslagen in Brussel, nu bijna vier maanden geleden. Die eeuwig wederkerende dag waarop alles wat gezegd wordt al eens gezegd is – en alles wat er gedaan wordt al eens gedaan. De initiële schrik, de daaropvolgende woede, het vingerwijzen naar zondebokken, het over één kam scheren van religieuze of etnische bevolkingsgroepen, de roep om vergelding, het schuldgevoel dat we minder geven om slachtoffers verder van ons vandaan, het begrijpelijke nationalisme dat daar tegenover wordt gesteld, de hashtags en vlaggenfilters die al deze emoties viraal laten gaan en langzaam weer wegebben – tot de volgende tragedie zich aandient.

En zoals dat gaat met eeuwig wederkerende dagen: ook nu borrelt, na de gebeurtenissen in het Franse Nice, datzelfde gevoel weer op. Natuurlijk, de gebeurtenis is uniek in zijn tragiek, want het zijn stuk voor stuk unieke levens die verloren gaan. En tegelijkertijd is de respons evengoed ritueel – alsof de speeches al waren geschreven, de hashtags al aangemaakt, de noodtoestand al uitgeroepen, het daderprofiel al geschetst, de motieven al bekend, de duiding al uitgesproken.

Geen juiste reactie mogelijk

Het grote probleem is dat er, op aanslagen zoals in Brussel, Parijs of Nice, en evenmin in Istanbul, Baghdad of Aleppo, geen juiste manier van reageren is.

… relativeren is bagatelliseren; niet-relativeren is angst kweken. In die paradox schuilt een belangrijke les: onze politiek en journalistiek zijn niet toegerust om problemen van dergelijke structurele aard en complexiteit het hoofd te bieden.’

Tot zover Wijnberg. Wordt vervolgd.

Hugo Verbrugh

Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)