‘Arts voor theoretische geneeskunde’, eerste aflevering

okt 02, 17 ‘Arts voor theoretische geneeskunde’, eerste aflevering

Vorige week ging het hier over kwakzalverij en daaromtrent. Vandaag wordt het dringender. Ik besloot mijn stukje vorige week met een passage over iets dat in de NRC van 23 september stond, namelijk dat ‘een miljoen Nederlanders antidepressiva slikken’. Dat getal lees je vaker. Vermoedelijk is er dus wel minstens iets van waar. De zin die meteen volgde, meldde iets dat ik niet wist: ‘Maar de helft van die pillen wordt niet voorgeschreven tegen depressies, maar bijvoorbeeld tegen slapeloosheid’.

Ik schreef de krant dat dit, als het waar is, grootschalig bedrog is. Ongeveer 500.000 mensen worden dan behandeld met een middel dat (1) wellicht helemaal niet werkt, maar (2) in elk geval niet bedoeld is als remedie tegen de ‘kwaal’ waarvoor het wordt voorgeschreven, en (3) ernstige bijwerkingen heeft. Ik vroeg de krant ook om een reactie. Die heb ik tot nu toe niet gekregen. Dat stoort me. Hoogstwaarschijnlijk is het namelijk, durf ik te stellen op grond van wat ik uit verschillende andere bronnen weet, echt waar. En dan heeft een krant als de NRC de plicht om te reageren.

Dat laatste is niet zomaar een privémening van een boze oude man. Een toeval maakt dat ik dezer dagen ook te maken heb gekregen met mijn inschrijving in het BIG (= Beroepsuitoefening Individuele Gezondheidszorg)-register. Wat daar precies aan de hand is, is een lang verhaal; ik noem het hier alleen omdat ik besloten heb een nieuw medisch specialisme in het leven te roepen: de ‘arts voor theoretische geneeskunde’. Want dat is, heb ik de laatste jaren steeds sterker bedacht, eigenlijk wat ik in het vak dat ik ooit gestudeerd heb, professioneel altijd gedaan heb en nog steeds doe [dat ik daarnaast als oprechte amateur psychologie onderwijs, laat ik buiten beschouwing].

En die ‘arts voor theoretische geneeskunde’ bedoel ik serieus. In het perspectief van mijn professionele verantwoordelijkheid in dit specialisme meld ik hier dat ik, om hier en nu te beginnen, zal doen wat ik kan om (1) de juistheid van het geciteerde bericht nader te onderzoeken en, als blijkt dat het inderdaad juist is, (2) deze informatie in brede kring bekend te maken.

Vorige week verwees ik ook naar een vijf pagina’s tellend interview onder de titel ‘Bijwerking: overlijden’ met Dick Bijl, voormalig hoofdredacteur van het Geneesmiddelenbulletin, in Skepter, driemaandelijks tijdschrift van de Stichting Skepsis, 30e jaargang nr. 3. Om nog wat beter duidelijk te maken wik ik bedoel, kopieer ik enkele passages uit dit artikel:

‘Ik ben gepromoveerd op depressie en antidepressiva, dus de ontwikkelingen daarin volg ik met speciale belangstelling. … In 2008 bleek uit een aantal meta-analyses – dus een kwantitatieve samenvatting van het voorgaande onderzoek – dat antidepressiva alleen werken bij mensen met een zeer ernstige depressie, en zelfs dan nog maar een heel klein beetje in de zin dat ze zelf zeggen dat ze zich beter voelen. … Maar die antidepressiva zijn geregistreerd omdat ze een statistisch significant verschil bereikten in vergelijking met placebo. De ernst van depressies meet je met een vragenlijst, bijvoorbeeld bij een score tussen 19 en 22 op een van de schalen, de HAM-D [= Hamilton Rating Scale for Depression], spreek je van een ernstige depressie. Met antidepressiva gaan mensen bijvoorbeeld van 20 naar 12 en met placebo van 20 naar 13. Dat scheelt 1 punt, en als je onderzoeksgroep maar groot genoeg is, is dat verschil nog statistisch significant ook. Toch zal niemand, geen arts en geen patiënt, dat verschil van die ene punt kunnen ervaren als een verschil ofwel een klinische verbetering. Een klinisch relevant verschil bedraagt minimaal 3 tot 4 punten.’

Hugo Verbrugh

Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)

Abonneer op onze nieuwsbrief en ontvang het laatste nieuws wekelijks


Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *