We beleven dezer dagen Grote Tijden. Die tijden staan onafwendbaar in het teken van Sint Corona. Ja, ja, deze onbekende heilige bestaat echt – kijk zelf maar na: via Google is allerlei leerzaams te vinden.

Intussen gebeurt er nog veel meer. Zo gebeurde afgelopen zondag iets dat mij inspireerde tot niet-verwoordbare diepe filosofische gedachten. Dat komt mooi uit, want morgen begint de maand van de filosofie. Maar eerst moet ik iets vertellen over iets dat wat tussen de corona-toestanden dóór eergisteren gebeurde.

Zondag jongstleden 02.00 uur a.m.(= ante meridiem = vóór het middaguur; zeg maar ‘om twee uur ‘s nachts’) stond de tijd “héél even” stil. “Héél even” staat tussen aanhalingstekens, want ik bedoel eigenlijk dat de wereld eigenlijk heel even gewoon weg was, er even niet was. Om twee uur … stond de tijd 0,000 … 000 repetent minuten, seconden, fracties van seconden … – ‘vul maar in’ – stil. De werkelijkheid hield héél even, letterlijk oneindig korte tijd, haar adem in.

Wat ik daarmee precies bedoel, weet ik niet. Dat klinkt natuurlijk idioot. Als ik dat niet weet, waarom en hoe kan ik dan denken dat ik er iets zinnigs over kan opschrijven? Dat komt door Augustinus, de befaamde ‘kerkvader’ en nog veel meer (354-430). In Boek XI van zijn ‘Confessiones’ schrijft hij uitvoerig over de tijd. ‘Wat, dus, IS tijd?’, vraagt hij zich zelf, en hij antwoordt: ‘Als niemand me dat vraagt, weet ik het. Als ik het aan de vrager zou willen uitleggen, weet ik het niet‘. In het origineel: ‘Quid est ergo tempus? Si nemo ex me quaerat, scio; si quaerenti explicare velim, nescio’.

Twee maal per jaar maken we – maak althans ik; ik vrees dat niet iedereen mijn gevoelens en gedachten hierover kent en deelt – dit mee. Eergisteren dus, en aanstaande 25 oktober voor de tweede keer. Ik doe hierbij het voorstel deze beide dagen voortaan ‘Augustinusdag’ te noemen.

En nu ik de werkelijkheid zodoende dus eventjes een beetje tijdloos gemaakt heb, maak ik nog even iets goed. 10 maart schreef ik over het boek ‘Reis om de dood’ van Bert Keizer; zie  desteronline.nl/waarom-blijven-we-in-beweging Op blz. 27 introduceert Bert het nieuwe begrip ‘epistemologische ongein’ (epistemologie: kennistheorie. Red.)’, schreef ik. Nu citeer ik de hele passage: ‘Bijnadoodervaring (1) Ofwel de BDE. De enige ervaring die ik als zodanig zou willen boeken is die van de man die zich door onhandigheden van enkele voorliggers in het verkeer plotseling in zijn auto tussen twee gesloten spoorbomen op de rails bevindt op het moment dat de trein eraan komt denderen, in het volle besef dat uitstappen geen zin meer zou hebben. De trein raast vervolgens met oorverdovend geweld voor hem langs op het andere spoor. Hij stond net goed. Dit is is een zuivere BDE waarnaast al die epistemologische ongein waarin mensen tijdens de narcose boven het tafereel van de in hun bulk rondtastende chirurg hangen, verschrompelt tot wat het in feite is: een onhandig verpakt brokje hoop op een enkeltje naar de eeuwigheid.’

Tekst loop door onder de afbeelding

Met permissie, Bert, maar dit slaat nergens op. Dit is wartaal in de trant van commissaris Bulle Bas die ergens (het is een fameuze quote in de fameuze Bommelsaga) uitroept: ‘Wat ik niet begrijp, bestaat niet’.

Sinds ongeveer een halve eeuw leven we in het zogeheten cognitieve paradigma. Wie serieus wil meedoen in de serieuze wetenschap&filosofie onderkent dat ALLES wat in ons benul gebeurt en wat wij daarin aantreffen als reëel bestaand en aanwezig erkend wordt. Verhalen zoals je in dit citaat quasikarikaturaal samenvat, zijn subjectief reële belevingen; maar het essentieel nieuwe van het nu algemeen aanvaarde cognitieve paradigma is nou juist dat ook het subjectieve aspect van onze kennis als reëel wordt erkend. Voeljem?

Hugo Verbrugh


Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)

Lees hier de privacyverklaring Hiermee geeft u toestemming om wekelijks een nieuwsbrief te ontvangen.