In zijn column in Trouw van vorige week vrijdag debiteerde Bert Keizer een improvisatie op het thema dat sinds precies een kwart eeuw de zin aan zijn leven geeft. (Over Bert Keizer: *1947, studeerde filosofie in Nottingham [“a pioneering university that provides an exceptional research-led education, and an outstanding student experience”] en geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam; publiceerde in 1994 ‘Het refrein is Hein’, een zeer openhartige schets van gebeurtenissen in een verpleegtehuis, inclusief stukken over euthanasie en hulp bij zelfdoding die nogal wat stof deden opwaaien maar die door artsen over het algemeen als zeer reëel werden beoordeeld’ [Wikipedia]; toelichting op het ‘Pein‘ in de kop van mijn stukje staat in het bijschrift bij het plaatje).

‘Het was meen ik Schopenhauer [Duits filosoof, 1788-1860] die eens fantaseerde dat hij ‘s nachts over een kerkhof loopt en één voor één de graven openmaakt’, is de aanhef van Keizer’s column. ‘Hij vraagt aan de verbouwereerde doden: zou je niet nog een keer een mensenleven willen doormaken?’, gaat hij verder. ‘Bij de overgrote meerderheid lukt het hem niet eens om zijn vraag af te maken, zo haastig zijn ze met hun NEE!’. … Een eindje verder schrijft Keizer: ‘Michael Frayn gebruikt in zijn boek “The Human Factor” een letterlijke reis terug in de tijd om te laten zien dat we over iets onmogelijks aan het praten zijn’. Keizer verbindt daaraan zijn eigen boodschap (in mijn [HV] woorden samengevat): de tijd is óverrijp voor zaken als ‘Voltooid leven’, Levenseindekliniek, levenseindebegeleiders etc., en we hoeven verder nergens over na te denken want met de dood is alles ‘einde oefening, over en uit’.

Lezing van Bert’s column bezorgde mij instant een ‘Hier Moet Ik Iets Aan Doen’-moment. Zulke momenten zijn voor mij mini-grensoverschrijdende ervaringen. Ik gebruik het woord ‘moeten’ namelijk zo min mogelijk omdat de vrijheid van mensen om te doen wat zij willen doen voor mij heilig is, zodat ‘moeten’ bijna een taboe-woord voor mij is. Maar er zijn speciale situaties en bijzondere gevallen en het verhaal over ‘Bert Keizer en ik’ is er daar een van.

Voor zover ikzelf de geschiedenis en de voorgeschiedenis daarvan kan reconstrueren, begon dat verhaal in de jaren 2012, 2013. Iets daarvan is te lezen in eerdere stukjes op De Ster Online: desteronline.nl/geneeskunde-filosofie-en-de-dood , desteronline.nl/rudolf-steiner-en-bert-keizer en elders.

Het eerste stukje stuurde ik aan Bert Keizer en dat had een onverwacht, vreugdevol EN leerzaam effect. Bijna per kerende post (29 april 2012) mailde hij terug: ‘Hartelijk dank voor uw enthousiaste reactie op mijn essay. Wat u niet weet, of niet meer weet, is dat ik u ergens in 1975 heb ontmoet in het toen nog bestaande Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam. U gaf een college over antroposofische geneeskunde, het was in de avonduren, u had na afloop geen tijd, want u moest een trein halen. Wij mompelden dat we er nooit iets van zagen, van antroposofische geneeskunde, waarop u, enigszins retorisch, aan de zaal vroeg: “Maar hoeveel antroposofische artsen denken jullie dat er wereldwijd bezig zijn met research?”, en ik antwoordde beleefd weifelend: “zeven?” Dat klopte wel ongeveer. … . Hartelijke groet van Bert Keizer’ Sindsdien hebben wij een, ik moet (!) helaas zeggen zeer ongeregelde mailwisseling. In maart 2018 hadden wij een kort, live Goed Gesprek in Boekhandel Donner aan de Coolsingel. Sindsdien is het stil.

‘LEERZAAM’ effect schreef ik hierboven. Wat Bert schreef, is zonder enige twijfel waar gebeurd. Zelf was ik het totaal vergeten. Ik weet het nu dus alleen nog door de ‘herinnering’ die Bert Keizer mij gaf. Zo gaat het vaak, misschien wel altijd meer of minder, met herinneringen. Wat ik daar precies mee wil zeggen, staat al in mijn stukje van 5 februari 2019: desteronline.nl/u-weet-meer-dan-u-waarschijnlijk-denkt

Het verhaal over wat ik nu met Bert Keizer ‘moet’ vat ik aldus samen. Ruim 40 jaar geleden hebben wij elkaar in volle vrijheid live ontmoet. Bij die gelegenheid heb ik (voor zover ik weet inderdaad als eerste) de antroposofie in zijn leven geïntroduceerd. Zodoende creëerde ik een leermeester-leerling-band. In de esoterische traditie is dat een speciaaal bijzondere band. Met name in het authentieke wetenschappelijk onderwijs geldt dat. Zulk onderwijs is per definitie een relatie die volwassenen uit vrije wil met elkaar aangaan op geleide van wat ze zelf willen vanuit hun anamnesis (lees meer over anamnesis via desteronline.nl/anamnesis en desteronline.nl/anamnesis-vervolg-je-wordt-deel-van-het-verhaal). Mijn relatie met deze ‘verpleeghuisarts met zijn klinische en … pessimistische kijk op zin en onzin in de gezondheidszorg en geneeskunde’ (Wikipedia) heeft een hoog ‘docendo discimus‘ (= door te onderwijzen, leren wij zelf [ook]) gehalte.

Het woordje ‘Pein’ in de kop staat daar cursief en tussen aanhalingtekens. Dat is omdat het een Duits woord is en iets anders betekent dan ons Nederlandse pijn. Het grote woordenboek van Duitsland, Duden, schrijft: ‘heftiges körperliches, seelisches Unbehagen; etwas, was jemanden quält. Beispiele: seelische Pein, sie litt furchtbare Pein bei dieser Vorstellung, er machte seiner Familie das Leben zur Pein’. In Nederlands in termen van Marten Toonder’s Bommelsaga: benauwdheid, beproeving, beroerdigheid, getob, kommer, kommer en kwel, kwelling, last, malaise, malheur, merode, miserie, misère, moeilijkheden, narigheid, nood, ongeluk, onheil, ontbering, rampspoed, rottigheid, sores, tegenslag, tegenspoed, tragiek, trammelant, verschrikking.’

Daarom voel ik mij gelegitimeerd hem te wijzen op een ernstig stukje onwetendheid in zijn kennis. In Ritter’s grote Historische Woordenboek van de Filosofie staat heel uitdrukkelijk dat in de meeste archaïsche, Europese en Buiten-Europese culturen de dood niet wordt gezien als het einde van het bestaan, maar wordt begrepen als een overgang naar een andere zijnsvorm.

‘In den meisten archaischen, europäischen und außereuropäischen Kulturen wird der Tod nicht als Ende der Existenz, sondern als Übergang in eine andere Seinsform verstanden und mit der Idee der Reinkarnation in Verbindung gebracht, die man in den Philosophien und Religionen Indiens und der Kosmologie nordamerikanischer Indianerkulturen, der platonischen und neuplatonischen Philosophie, der Orphik und anderen Mysterienreligionen des alten Griechenlands ebenso findet wie im frühen Christentum oder im Hinduismus und Buddhismus. Die gängigsten Begriffe für den Tod sind darum Metaphern des Übergangs, der Wanderung oder der Reise, der Befreiung oder des Abschiednehmens … ‘

PS: Ik heb van Michael Frayn geen boek ‘The Human Factor’ kunnen vinden. Wel daarentegen ‘The HumanTouch – Our Part in the Creation of a Universe’ (Metropolitan Books [2006] ; noteer ‘… de creatie van EEN universum …’!). Het  Abstract maakt aannemelijk dat Keizer dàt boek gelezen heeft: ‘What do we really know? What are we in relation to the world around us? Here, the acclaimed playwright and novelist takes on the great questions of his career – and of our lives. Humankind, scientists agree, is an insignificant speck in the impersonal vastness of the universe. But what would that universe be like if we were not here to say something about it? Would there be numbers if there were no one to count them? Would the universe even be vast, without the fact of our smallness to give it scale? With wit, charm, and brilliance, this epic work of philosophy sets out to make sense of our place in the scheme of things. Our contact with the world around us, Michael Frayn shows, is always fleeting and indeterminate, yet we have nevertheless had to fashion a comprehensible universe in which action is possible. But how do we distinguish our subjective experience from what is objectively true and knowable? Surveying the spectrum of philosophical concerns from the existence of space and time to relativity and language, Frayn attempts to resolve what he calls “the oldest mystery”: the world is what we make of it. In which case, though, what are we? All of Frayn’s novels and plays have grappled with these essential questions; in this book he confronts them head-on’

Hugo Verbrugh


Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)

Lees hier de privacyverklaring Hiermee geeft u toestemming om wekelijks een nieuwsbrief te ontvangen.